Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de schriftelijke vordering van de officier van justitie ten bedrage van € 155.261,45, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- het strafdossier onder parketnummer 16/234344-17 waaruit blijkt dat de veroordeelde op 14 mei 2018 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van –kort gezegd– het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, tot de in de uitspraak vermelde straf;
- het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36e 2e lid Sr’ van 24 augustus 2015 nummer PL0900-2015223581-1 (pagina 115 tot en met 120 van het proces-verbaal met nummer PL0900-2015223581);
2.De beoordeling van de vordering
de rechtbank begrijpt: tot een jaar voorafgaand aan zijn verhoor), woonachtig was in de woning waarin de hennep werd aangetroffen [2] ;
- afschrijvingskosten € 250,00 (Tabel pagina 3 BOOM-rapport 2010)
- hennepstekken € 1.560,00 ( 390 stuks, € 4,00 per stek/plant)
- variabele kosten € 1.298,70 (€ 3,33 per stek/plant)
- huisvestingskosten € 2.394,00 (bedrag per oogst/ruimte)
Totale kosten 3 oogsten x € 5.502,70 = € 16.508,10
3.De toepasselijke wettelijke voorschriften
4.De beslissing.
€ 91.712,22(zegge: éénennegentigduizend zevenhonderdtwaalf euro en tweeëntwintig eurocent);
€ 91.712,22(zegge: éénennegentigduizend zevenhonderdtwaalf euro en tweeëntwintig eurocent) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;