ECLI:NL:RBMNE:2018:4107
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen kinderrechter in omgangszaken minderjarige
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de kinderrechter die betrokken was bij een informele rechtsingangprocedure betreffende de omgang tussen haar minderjarige dochter en de vader. Zij stelde dat de rechter moedwillig stukken had achtergehouden en vooringenomen was ten gunste van de vader, mede omdat de rechter de vader niet had beperkt in zijn afwezigheid en het corresponderen buiten het zicht van verzoekster.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en onderzocht of er sprake was van persoonlijke vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De rechter had de e-mail van de vader, waarin deze zijn afwezigheid meldde, besproken tijdens de zitting en beide ouders waren uitgenodigd voor gesprekken. De rechter handelde binnen de kaders van de informele rechtsingang en hield geen rekening met eerdere procedures.
De wrakingskamer oordeelde dat de aangevoerde feiten onvoldoende waren om vooringenomenheid aan te nemen. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard. De procedure betreffende de omgangsregeling wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond voor het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.