Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2018:3989

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 augustus 2018
Publicatiedatum
22 augustus 2018
Zaaknummer
UTR 17/5084
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen terugvordering kosten bijstand op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilversum om de kosten van bijstand die aan [A] waren verleend, mede van eiser terug te vorderen. Het primaire besluit betrof de beëindiging van het recht op bijstand van [A] en de terugvordering van een bedrag van ruim €96.000 over de periode van 29 september 2010 tot en met 31 mei 2016.

Verweerder had op grond van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet de kosten van bijstand mede van eiser teruggevorderd, omdat eiser niet duurzaam gescheiden leefde van [A] en diens middelen bij de verlening van bijstand in aanmerking genomen hadden moeten worden. Het bezwaar van eiser leidde tot een gedeeltelijke herziening van het terug te vorderen bedrag.

De rechtbank verwees naar een gelijktijdige uitspraak in de zaak van [A] zelf (UTR 17/5083), waarin het beroep van [A] tegen de terugvordering ongegrond werd verklaard, behalve voor de proceskostenvergoeding. Op basis van die uitspraak oordeelde de rechtbank dat de terugvordering mede van eiser terecht was. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard zonder toekenning van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van kosten van bijstand mede van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/5084

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Maachi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigde: E. Diepenbroek).

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van [A] ( [A] ) beëindigd en haar uitkering over de periode van 29 september 2010 tot en met 31 mei 2016 ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 96.127,10. Op grond van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet (Pw) heeft verweerder de kosten van bijstand mede van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 2 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 95.535,98.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De hier te beoordelen periode loopt van 29 september 2010 tot en met 31 mei 2016, de periode waarover verweerder de kosten van bijstand van [A] mede van eiser heeft teruggevorderd.
2. Artikel 59, tweede lid, van de Pw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat eiser hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefde met [A] .
3. Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het beroep van [A] , kenmerk UTR 17/5083, gericht tegen de intrekking en terugvordering van de teveel betaalde bijstand, ongegrond verklaard voor wat betreft de intrekking en terugvordering van bijstand, en gegrond verklaard voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank verwijst voor de inhoudelijke overwegingen naar deze uitspraak. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder de kosten van bijstand terecht mede van eiser heeft teruggevorderd.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, en mr. M.L. Braaksma en mr. J.G. Nicholson, leden, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.