Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 juli 2018
- de mondelinge behandeling op 3 augustus 2018
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde] .
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een directeur ([eiser]) die sinds 2011 bij de vereniging [gedaagde] werkzaam is en sinds 2017 een collegiale directie voert met een andere directeur ([A]). Na een bestuurswisseling in 2017 ontstonden ernstige samenwerkingsproblemen en twijfels over de integriteit van [A]. [eiser] verzocht herhaaldelijk om een integriteitsonderzoek, dat uiteindelijk door een onafhankelijk bureau werd uitgevoerd, zonder concrete aanwijzingen voor integriteitsschendingen.
In juli 2018 werden zowel [eiser] als [A] geschorst en werd een ontbindingsverzoek ingediend. [eiser] vorderde in kort geding wedertewerkstelling en het verbod om zijn functie aan een ander aan te bieden. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een op non-actiefstelling, een minder diffamerende maatregel dan schorsing, maar wel ingrijpend.
De rechtbank stelde vast dat de werkgever een redelijke grond had om [eiser] de toegang tot de werkvloer te weigeren vanwege de onwerkbare situatie en de onrust binnen de organisatie. Gezien de tijdelijke aard van de maatregel en het gedeeltelijke arbeidsongeschikt zijn van [eiser], was wedertewerkstelling niet noodzakelijk. De vorderingen werden afgewezen en [eiser] werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot wedertewerkstelling van de directeur wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.