De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak van een 47-jarige man uit Amersfoort die werd verdacht van seksueel misbruik van zijn nichtje, gepleegd tussen 1998 en 2003. De tenlastelegging betrof onder meer het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer toen zij onder de twaalf en later onder de zestien jaar was.
Tijdens de terechtzitting op 23 juli 2018 werden de standpunten van de officier van justitie, de verdediging en de benadeelde partij besproken. De officier van justitie vond het bewijs overtuigend, onder meer gebaseerd op een heimelijke opname van een gesprek tussen verdachte en het slachtoffer, en verklaringen van familieleden. De verdediging betoogde dat er onvoldoende objectief bewijs was en dat de aangifte onduidelijkheden bevatte.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er geen aanwijzingen waren om aan de betrouwbaarheid van het slachtoffer te twijfelen, het bewijs onvoldoende was om de tenlastelegging te bewijzen. De heimelijke opname toonde weliswaar dat verdachte sprak over fouten en spijt, maar niet concreet over de seksuele handelingen. De verklaringen van familieleden waren van horen zeggen en boden geen aanvullend bewijs. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en kreeg de mogelijkheid deze bij de burgerlijke rechter aan te brengen. De kosten werden tot op dat moment begroot op nihil en de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging.