ECLI:NL:RBMNE:2018:3646
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter in kort geding
In deze wrakingsprocedure heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in een kortgedingzaak, stellende dat de rechter niet bevoegd zou zijn en onvoldoende rekening hield met zijn en andere betrokkenen hun verhinderingen. De wrakingskamer heeft het verzoek op 26 juli 2018 in het openbaar behandeld en direct ongegrond verklaard.
De wrakingskamer overwoog dat persoonlijke vooringenomenheid niet was gesteld of gebleken en dat procesbeslissingen van de rechter, zoals het niet uitstellen van de zitting en het niet vooraf beoordelen van de bevoegdheid, niet onbegrijpelijk waren. De kamer benadrukte dat een negatieve procesbeslissing op zichzelf geen grond is voor wraking tenzij deze zo onbegrijpelijk is dat vooringenomenheid aannemelijk wordt.
Verder waren de bezwaren over de dagvaarding en ontbrekende stukken niet geschikt voor wraking maar kunnen deze in de hoofdzaak aan de orde komen. Ook werd geen misbruik van het wrakingsmiddel vastgesteld, zodat een volgend wrakingsverzoek niet werd uitgesloten.
De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.