Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de heer [A] , bestuurder van [verzoekster] B.V.,
- mr. [B] namens [verzoekster] B.V.,
- de heer [C] , bestuurder van [verweerster] B.V.,
- mr. D. Talsma.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 24 juli 2018 het verzoek tot faillietverklaring van [verzoekster] B.V. tegen [verweerster] B.V. Verzoekster stelde een vordering van €133.709,97 te hebben op verweerster en voerde aan dat verweerster de afbetalingsregelingen niet nakwam, met achterstallige betalingen en een grote schuldenlast uit 2014.
Verweerster betwistte de toestand van betalingsonmacht en meldde dat zij hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis waarop de vordering is gebaseerd. Tevens toonde zij aan dat zij recente betalingen had verricht en dat de termijn voor een betaling van €15.000 nog niet was verstreken. Verweerster ontkende ook de steunvorderingen van Atradius en een salarisvordering van een werknemer.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet aan haar waarheidsplicht had voldaan door het hoger beroep en de betalingsafspraken niet te vermelden. Desondanks werd het verzoek afgewezen op inhoudelijke gronden omdat het niet was gebleken dat verweerster was opgehouden met betalen. Ook de oude jaarstukken boden geen actueel bewijs van betalingsonmacht.
De rechtbank veroordeelde verzoekster tot betaling van de proceskosten omdat zij onvoldoende had gedaan om de procedure te voorkomen en verweerster onnodig op kosten had gejaagd.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.