In deze ontnemingszaak heeft de rechtbank Midden-Nederland vastgesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezen verklaarde feiten van medeplegen van hennepteelt. De periode van de bewezenverklaring betreft 8 april tot en met 27 mei 2015, maar de rechtbank acht aannemelijk dat de hennepkwekerij al vanaf 3 januari 2015 actief was.
De rechtbank baseert de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een ontnemingsrapport en verklaringen van veroordeelde zelf. Veroordeelde verklaarde het pand te hebben gehuurd voor een koffieonderneming, maar dit niet te zijn doorgegaan en het pand vervolgens voor €1.150,- per maand te hebben onderverhuurd voor de hennepkwekerij. De rechtbank neemt deze maandelijkse vergoeding als uitgangspunt en komt uit op een totaalbedrag van €5.750,- voor vijf maanden.
Hoewel de officier van justitie een veel hoger bedrag vorderde, heeft de rechtbank het voordeel lager vastgesteld vanwege het ontbreken van bewijs dat de volledige opbrengst aan veroordeelde toekwam. De rechtbank wijst ook op de overschrijding van de redelijke termijn, maar ziet geen aanleiding om de betalingsverplichting te verminderen vanwege de financiële situatie van veroordeelde.
Uiteindelijk legt de rechtbank veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €5.750,- aan de Staat te voldoen als ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.