ECLI:NL:RBMNE:2018:2655

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juni 2018
Publicatiedatum
13 juni 2018
Zaaknummer
16/705577-18 en 16/705672-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101 SvArt. 181 SvArt. 94 SvArt. 13 Grondwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging rechter-commissaris vereist voor lezen binnenkomende Telegram-berichten op inbeslaggenomen telefoon

Op 26 maart 2018 werd bij verdachte een mobiele telefoon in beslag genomen. Onderzoek toonde aan dat verdachte veelvuldig gebruik maakte van het chatprogramma Telegram, waarbij berichten automatisch worden vernietigd na het lezen. De officier van justitie verzocht om een machtiging om ook de berichten te mogen lezen die binnenkomen wanneer de telefoon weer wordt aangezet en verbinding maakt met het netwerk.

De rechter-commissaris overwoog dat artikel 101 Sv Pro, dat oorspronkelijk betrekking heeft op gesloten poststukken, ook analoog toegepast moet worden op binnenkomende elektronische berichten die nog niet gelezen zijn. Dit vanwege het briefgeheim en de bescherming van de inhoud van communicatie, ook al is er geen fysieke envelop.

De rechter-commissaris concludeerde dat voor het lezen van deze binnenkomende berichten een machtiging vereist is en verleende deze aan de officier van justitie. Hiermee werd de vordering van de officier van justitie toegewezen en kon het onderzoek naar de berichten op de telefoon worden voortgezet.

Uitkomst: De rechter-commissaris verleent machtiging voor het lezen van binnenkomende berichten op de inbeslaggenomen telefoon.

Uitspraak

Rechtbank Midden-Nederland
rechter-commissaris in strafzaken

MACHTIGING EX ART. 101 Sv Pro.

Parketnummers: 16/705577-18 en 16/705672-18
Op 4 juni 2018 is door de officier van justitie een vordering machtiging tot opening en kennisneming van een mobiele telefoon met daarop binnenkomende berichten wanneer deze telefoon wordt aangezet, ingediend in een onderzoek tegen:

[verdachte 1]

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000
wonend in [woonplaats], [adres]

en

[verdachte 2]

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000
wonend in [woonplaats], [adres].
De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland heeft kennis genomen van:
-de genoemde vordering van de officier van justitie van 4 juni 2018 strekkende tot het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 101 en Pro 181 van het Wetboek van Strafvordering;
-het proces-verbaal behorend bij de aanvraag machtiging opening poststukken van de politie Midden-Nederland, districtsrecherche West-Utrecht van 31 mei 2018, alsmede de twee processen-verbaal van verdenking van 28 maart 2018 en het proces verbaal van verdenking van 13 maart 2018.

Overwegingen van de rechter-commissaris:

Onder verdachte [verdachte 1] werd bij zijn aanhouding op 26 maart jl. een mobiele telefoon in beslag genomen. Op die dag is op grond van artikel 94 Sv Pro onderzoek verricht aan de telefoon en zijn onder meer berichten bekeken van het chatprogramma “Whatsapp”. Uit dit onderzoek is gebleken dat verdachte [verdachte 1] vaak gebruik maakte van het chatprogramma “Telegram”, en dat hij gebruik maakt van de functie dat de berichten worden vernietigd. In dat geval wordt na bijvoorbeeld 30 seconden na het lezen van het bericht geen berichtgeving meer weergegeven.
Na 26 maart heeft deze telefoon geen verbinding meer gemaakt met het netwerk. De vordering strekt er toe dat alle berichten kunnen worden onderzocht van de chatprogramma’s “Telegram”, “Snapchat”, “Whatsapp”, “Instagram” en “Facebook” die zullen binnenkomen als de telefoon weer wordt aangezet en verbinding maakt met zijn netwerk. Daarbij heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij artikel 101 Sv Pro.
Artikel 101 Sv Pro is geschreven voor poststukken en aanverwante zaken die zijn toevertrouwd aan een postvervoerbedrijf. In het geval die poststukken in gesloten enveloppen zitten en de officier van justitie daarvan kennis wil nemen, bepaalt lid 2 dat daarvoor een machtiging van de rechter-commissaris vereist is. In artikel 13 van Pro de Grondwet staat dat het briefgeheim onschendbaar is, behalve in de gevallen bij de wet bepaald op last van de rechter. Op 19 augustus 2017 is een voorstel tot wijziging van artikel 13 Grondwet Pro in het Staatsblad gepubliceerd om naast het briefgeheim het telecommunicatiegeheim te eerbiedigen en alleen beperking daarop mogelijk te maken in de gevallen bij de wet bepaald met machtiging van de rechter.
De vraag is of er voldoende parallellen zijn tussen de situatie dat berichten worden gelezen die ná hernieuwde aansluiting op het netwerk op de telefoon binnenkomen en de situatie dat poststukken
moeten worden geopend om de inhoud te kunnen lezen. Met andere woorden, moet het lezen van de berichten op de telefoon in dit geval worden opgevat als het openen van een gesloten poststuk.
Het verschil tussen een poststuk en berichten op een telefoon is dat een poststuk iemand bereikt door tussenkomst van een postvervoerbedrijf en een elektronisch bericht op de telefoon automatisch binnenkomt. Voor de beoordeling van bovenstaande vraag is dat geen relevant verschil, omdat het gaat om de ratio van de bepaling, de eerbiediging van het briefgeheim. Dat de eerbiediging van het telecommunicatiegeheim nog geen plaats heeft gekregen in de Grondwet, hoeft geen beletsel te zijn om daar wel ruimte voor te bieden.
Waar het om gaat is dat een geadresseerde van een gesloten poststuk daar kennelijk zelf nog geen kennis van heeft genomen en dat de wetgever in zo’n geval de keuze heeft gemaakt dat voor het openen daarvan een rechter toestemming moet hebben gegeven. In het geval van elektronische communicatie zit er geen gesloten envelop om een bericht. Sterker nog, door middel van verschillende devices kan iemand via internet toegang krijgen tot chat- en andere communicatieprogramma’s. Wanneer iemand niet meer de beschikking heeft tot zijn telefoon hoeft dat niet te betekenen dat hij na de inbeslagname daarvan geen toegang meer heeft gekregen tot zijn bestanden. Daarom is een parallel tussen gesloten enveloppen en de in deze casus, na 26 maart binnengekomen berichten niet op voorhand te trekken.
Maar omdat bekend is uit eerder onderzoek aan de telefoon van verdachte [verdachte 1] dat verdachte gebruik maakte van het chat programma “Telegram” waarbij de berichten kort na het lezen worden vernietigd, is de kans groot dat wanneer de telefoon verbinding maakt met het netwerk de berichten die verschijnen in ieder geval in het programma “Telegram” berichten zijn die nog niet gelezen zijn.
Zo bezien is er een relevante parallel te trekken tussen de poststukken in een gesloten envelop waar het briefgeheim op ziet en de nog te laden berichten op de telefoon van verdachte [verdachte 1]. Naar analogie van het bepaalde in artikel 101, lid 2 Sv is voor het lezen van de berichten die op de telefoon binnenkomen als deze wordt aangezet en verbonden met het netwerk, dan ook een beslissing van de rechter-commissaris vereist.
Gezien de inhoud van de processen-verbaal die hiervoor zijn genoemd is naar het oordeel van de rechter-commissaris de vordering tot het verkrijgen van een machtiging ex artikel 101 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering toewijsbaar.

Beslissing:

De rechter-commissaris verleent derhalve machtiging aan de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland om kennis te nemen van de op 26 maart 2018 in beslag genomen mobiele telefoon (Apple IPhone 6) van verdachte [verdachte 1] voornoemd.
Utrecht, 7 juni 2018
De rechter-commissaris,
mr. M.C. Oostendorp