De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf en subsidiair een voorwaardelijke machtiging voor betrokkene, die lijdt aan schizofrenie. Betrokkene verblijft momenteel in een psychiatrische instelling en wil per 1 juli 2018 begeleid gaan wonen op een locatie van Abrona.
De rechtbank nam kennis van medische verklaringen, behandelplannen en aantekeningen conform de Wet BOPZ. Tijdens de zitting gaf betrokkene aan dat zijn verbetering te danken is aan zichzelf en niet aan medicatie. De raadsvrouw pleitte voor afwijzing van het verzoek tot voortgezet verblijf en toewijzing van een voorwaardelijke machtiging, omdat betrokkene goed functioneert en begeleid wonen zal starten.
De behandelaar benadrukte het verschil van mening over medicatie en stelde dat het gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig letsel kan toebrengen niet zonder toezicht kan worden afgewend. De rechtbank oordeelde dat de stoornis aanwezig blijft en gevaar kan veroorzaken, maar dat na verhuizing het gevaar alleen door voorwaarden kan worden beheerst.
De rechtbank verleende een machtiging tot voortgezet verblijf tot 30 juni 2018 en een voorwaardelijke machtiging van vijf maanden vanaf 1 juli 2018, met voorwaarden zoals medicatiegebruik, medewerking aan spiegelcontroles en afspraken met hulpverleners. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.