Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het proces-verbaal van de zitting van 9 maart 2018;
- een e-mailbericht van 4 april 2018 van mr. M.P.J. Appelman namens [A] ;
- een schriftelijke reactie van 21 maart 2018 van mr. V.M.M. van Amstel.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de kinderrechter die betrokken was bij haar familierechtelijke zaken over hoofdverblijfplaats, omgangsregeling, erkenning en gezamenlijk gezag. Zij stelde dat de rechter bij een eerdere zaak op dezelfde dag uitlatingen had gedaan die duidden op vooringenomenheid, met name over verhuizingen waarbij kinderen betrokken zijn.
De rechter verweerde zich door uit te leggen dat haar opmerkingen in een andere zaak waren bedoeld om praktische problemen bij verhuizingen te illustreren en niet om een oordeel te vellen over de zaak van verzoekster. De wrakingskamer onderzocht of er objectief sprake was van een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
De kamer oordeelde dat hoewel de opmerkingen vragen konden oproepen, verzoekster en haar gemachtigde onvoldoende hadden gehandeld om deze tijdens de zitting te adresseren. De algemene mening van de rechter over verhuizingen met kinderen kon niet zonder meer worden vertaald in vooringenomenheid in de zaak van verzoekster.
Daarom concludeerde de wrakingskamer dat er geen feiten of omstandigheden waren die de onpartijdigheid van de rechter aantasten. Het wrakingsverzoek werd ongegrond verklaard en de behandeling van de familierechtelijke zaken werd voortgezet.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter is ongegrond verklaard en de behandeling van de familierechtelijke zaken wordt voortgezet.