Eiser diende een aanvraag voor bijstand in op grond van de Participatiewet, welke door verweerder werd afgewezen omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij woonachtig was op het opgegeven uitkeringsadres. Na een huisbezoek en onderzoek constateerde verweerder dat er slechts een beperkt aantal persoonlijke bezittingen aanwezig waren en dat de verklaringen van eiser over zijn verblijfplaats wisselend en tegenstrijdig waren.
Eiser voerde aan dat de bevindingen van het huisbezoek verklaarbaar waren door zijn financiële situatie en omstandigheden, en dat hij onder meer zijn administratie en sociale contacten in de woonplaats had. De rechtbank overwoog dat het aan eiser was om aannemelijk te maken dat hij in de bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en dat hij zijn woonadres juist en volledig moest opgeven.
De rechtbank oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder het ontbreken van persoonlijke verzorgingsproducten, het niet aantreffen van de auto op het adres en de wisselende verklaringen van eiser, een toereikende grondslag boden om te twijfelen aan zijn woonplaats. Een belangenafweging was in deze situatie niet aan de orde omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Ten slotte wees de rechtbank het beroep af en bevestigde de afwijzing van de bijstandsaanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman op 16 april 2018.