ECLI:NL:RBMNE:2017:837
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Beslissing op wrakingsverzoek tegen rechter in kort geding wegens vermeende partijdigheid
Op 15 februari 2017 dienden verzoekers een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een kort geding, stellende dat er sprake zou zijn van partijdigheid en oneerlijke behandeling door het gerechtsbestuur. Zij verwezen naar eerdere gebeurtenissen en vermeende dwarsverbanden binnen de rechterlijke macht die de schijn van georganiseerde partijdigheid zouden wekken.
De rechter stelde zich op het standpunt dat er geen feiten of omstandigheden waren die haar onpartijdigheid in het geding brachten en benadrukte het ontbreken van persoonlijk contact met partijen of advocaten. De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op grond van artikel 36 Rv Pro en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en concludeerde dat het verzoek algemene bezwaren bevatte die niet specifiek op de rechter waren gericht en geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleverden.
De wrakingskamer besloot het verzoek zonder zitting af te wijzen als kennelijk ongegrond. Tevens werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in dezelfde procedure niet in behandeling wordt genomen om misbruik van het wrakingsmiddel en vertraging van de hoofdzaak te voorkomen. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt kennelijk ongegrond verklaard en vervolgverzoeken worden niet in behandeling genomen.