Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het bij brief van 17 januari 2017 ingediende verzoek tot wraking;
- het verweer van mr. R.J. Praamstra;
- de brief van 21 januari 2017 van de zijde van verzoeker.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure tegen een besluit van de Korpschef van Politie. Het verzoek was gebaseerd op vermeende vooringenomenheid van de rechter, onder meer omdat de rechter weigerde de gemachtigde van verweerder te weigeren en geen aangifte deed van vermeende strafbare feiten.
De rechter had in een brief van 16 januari 2017 de verzoeken van verzoeker afgewezen en de wrakingskamer stelde vast dat de rechter niet onpartijdig was. De wrakingskamer overwoog dat het niet meenemen van bepaalde brieven in de beslissing niet wijst op vooringenomenheid, omdat deze brieven nog niet beschikbaar waren.
Verder oordeelde de wrakingskamer dat de rechter bevoegd was om te beslissen over de procesbeslissingen en dat de vermeende vooringenomenheid niet aannemelijk was. Ook de weigering om aangifte te doen werd niet als onpartijdig gebrek gezien, aangezien de verplichting tot aangifte bij de rechter zelf ligt.
De wrakingskamer verklaarde het verzoek tot wraking ongegrond en bepaalde dat de bestuursrechtelijke procedure ongewijzigd wordt voortgezet.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt ongegrond verklaard en de bestuursrechtelijke procedure wordt voortgezet.