ECLI:NL:RBMNE:2017:6249

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2017
Publicatiedatum
18 december 2017
Zaaknummer
07/660313-12 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling witwassen

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 december 2017 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde werd vastgesteld en ontnomen. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor het gewoonte maken van witwassen en de officier van justitie schatte het voordeel op €14.241,12.

De verdediging voerde primair niet-ontvankelijkheid aan, uitgaande van een vrijspraak in de hoofdzaak, en subsidiair een matiging van het ontnemingsbedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank nam kennis van het vonnis in de hoofdzaak en het strafdossier.

Op basis van de bewezenverklaring in het vonnis stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €9.064,64, het bedrag dat veroordeelde contant meer had uitgegeven dan zijn legale inkomsten konden verklaren. De rechtbank verwierp het verweer tot matiging van het bedrag, omdat bij de strafoplegging al rekening was gehouden met de termijnoverschrijding.

De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te voldoen en wees de vordering van de officier van justitie voor het overige af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder leiding van voorzitter en kinderrechter C.A. de Beaufort.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op om €9.064,64 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Lelystad
Parketnummer: 07/660313-12 (ontneming)

Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht

van 7 november 2017 van de officier van justitie in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [1994] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] .
Het onderzoek ter terechtzitting heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden op 1 december 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Zeilstra en van hetgeen veroordeelde en diens raadsman mr. F.N. Dijkers, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek, te weten:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 15 december 2017 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 07/660313-12;
- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07/660313-12.

OVERWEGINGEN

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 14.241,12,-. De officier van justitie heeft dit bedrag bepaald op basis van een kasopstelling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn ontneming. Daarbij gaat de raadsman uit van een vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van het ontnemingsbedrag aanzienlijk moet worden gematigd gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.
De overwegingen van de rechtbank
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 15 december 2017 (parketnummer 07/660313-12) ter zake van een gewoonte maken van witwassen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Uit het strafdossier en het voornoemde vonnis is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent de rechtbank de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 9.064,64. De rechtbank komt als volgt tot deze schatting.
In het vonnis van deze rechtbank is onder meer bewezenverklaard dat veroordeelde in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012 geldbedragen met een totale waarde van € 9.064,64 meer contant heeft uitgegeven dan zijn legale contante inkomsten verklaren.
Een legale herkomst van dit geld heeft veroordeelde, zoals door de rechtbank in het vonnis in de strafzaak is overwogen, niet aannemelijk gemaakt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit geld van misdrijf afkomstig is. Het moet daarom worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wat betreft de (subsidiair) door de raadsman betoogde vermindering van het ontnemingsbedrag overweegt de rechtbank als volgt. In zijn arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008: BD2578) heeft de Hoge Raad overwogen dat ‘
in bijzondere gevallen de Hoge Raad volstaat met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, bijvoorbeeld indien in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn’.
Gebleken is dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met overschrijding van de redelijke termijn. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van de ontneming volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op
€ 9.064,64 (negenduizendvierenzestig euro en vierenzestig eurocent);
- legt veroordeelde de verplichting op om ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te voldoen een bedrag van
€ 9.064,64 (negenduizendvierenzestig euro en vierenzestig eurocent);
- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter en tevens kinderrechter, mrs. P.K. Oosterling-van der Maarel en J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 december 2017.
mr. J. Wiersma is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.