Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- een e-mail van 4 december 2017 waarbij verzoeker drie bijlagen heeft gevoegd ter nadere onderbouwing van zijn verzoek; en
- een schriftelijke reactie van 30 november 2017 van mr. I.L. Rijnbout.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kinderrechter mr. I.L. Rijnbout in een familierechtelijke zaak, stellende dat de rechter onpartijdigheid zou missen door het toelaten van de pleegmoeder bij een kindgesprek zonder zijn toestemming, het niet toelaten van zijn partner bij de zitting en het vooruitlopen op een beslissing over verlenging van een machtiging uithuisplaatsing.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 5 december 2017 behandeld en beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro en artikel 6 EVRM Pro. De kamer benadrukte de vermoede onpartijdigheid van rechters en dat wraking alleen gegrond is bij uitzonderlijke omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.
De kinderrechter lichtte toe dat het beleid is dat een kind zich bij een gesprek mag laten bijstaan door een vertrouwenspersoon zonder toestemming van ouders, en dat de partner van verzoeker niet werd toegelaten vanwege bezwaar van andere belanghebbenden. Het vooruitlopen op een omgangsregeling werd gemotiveerd door het belang van de kinderen en betekent geen oordeel over de machtiging.
De wrakingskamer oordeelde dat de procesbeslissingen begrijpelijk waren en geen aanwijzingen gaven voor partijdigheid. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard en de zaak werd voortgezet in de oorspronkelijke stand.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kinderrechter is ongegrond verklaard wegens ontbreken van aanwijzingen voor partijdigheid.