Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
2 [gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 31 mei 2017;
- de conclusie van repliek van [eiseres] ;
- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 1] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres vordert schadevergoeding wegens vermeende beroepsfouten bij tandheelkundige behandeling in 2014 door gedaagde sub 1 en sub 2. Haar klacht bij de Centrale Klachten Commissie (CKC) werd deels gegrond verklaard, maar de rechtbank benadrukt dat het oordeel van de CKC niet doorslaggevend is voor de civiele aansprakelijkheid.
De rechtbank stelt dat eiseres de bewijslast draagt om concreet aan te tonen dat de tandarts niet de zorg van een redelijk bekwaam en handelend tandarts heeft betracht en dat daardoor schade is veroorzaakt. Eiseres heeft haar stellingen onvoldoende concreet en begrijpelijk toegelicht, waardoor een inhoudelijke beoordeling niet mogelijk is.
De rechtbank bespreekt diverse tandelementen met verwijten zoals kroonranden binnen de preparatie, onbehandelde apicale ontsteking, matige aansluiting van facings, ontbrekende kronen en een te fors uitgevoerde brug. In alle gevallen ontbreekt een voldoende concrete onderbouwing of weerlegging van het verweer van gedaagde, zodat geen beroepsfout kan worden vastgesteld.
Ook de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat eiseres niet heeft aangetoond dat sprake is van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 BW Pro. De vordering wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van €900 aan de zijde van gedaagde.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete onderbouwing van beroepsfouten.