Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
- 3 plakken hasj met een totaalgewicht van 619,03 gram;
- 2 zakken hennep met een totaalgewicht van 506 gram, inclusief de zak;
- EUR 18.053,50 aan contanten en 12.460 aan contante Marokkaanse Dirham;
- 28 mobiele telefoons.
Op 26 oktober 2011 vond er al eerder een doorzoeking plaats in uw woning. Aanleiding voor deze doorzoeking was informatie waaruit bleek dat u in het bezit zou zijn van een vuurwapen. Bij de doorzoeking werden twee plakken hasj van 149,25 en 99,71 gram en een ploertendoder aangetroffen.
In mei 2012 controleerde de politie een voertuig met twee personen waaronder u, de heer [gedaagde sub 1] . In het voertuig werden twee grote plakken hasj aangetroffen. Bovendien bleek dat u in het bezit was van € 3000,00 euro aan contanten. Bij de daaropvolgende doorzoeking in uw woning trof de politie een afschrift van een Marokkaanse bankrekening aan welke verstopt zat achter een schilderij. Omgerekend stond er een bedrag van bijna € 6000,00 euro op deze rekening.
Op 14 mei 2015 ziet de politie dat een voertuig geparkeerd staat bij uw woning. De tenaamgestelde van dit voertuig betreft een man uit Hilversum met meerdere criminele antecedenten waaronder twee antecedenten op de Opiumwet.
In april 2016 ontvangt de politie een melding waarin staat dat u, de heer [gedaagde sub 1] , al zo’n 20 jaar handelt in verdovende middelen.
In het politieonderzoek bent u afgeluisterd en geobserveerd. Wanneer de politie de bevindingen van de observaties relateert aan de grote regelmaat waarmee u, de heer [gedaagde sub 1] , telefonische gesprekken voert waarin u versluierd spreekt over de handel in verdovende middelen, dan ziet de politie het als aannemelijk dat u deze gesprekken onder meer voert op het moment dat u aanwezig bent in uw woning aan de [adres] te [woonplaats] . Het is dan ook mede vanwege dit feit aannemelijk dat uw woning te relateren valt aan de handel in verdovende middelen en daar onderdeel vanuit maakt. Dit geldt ook voor uw zoon waarvan aannemelijk is dat hij regelmatig bij u in de woning verblijft. Ik heb het horecabedrijf van uw zoon inmiddels gesloten, mede vanwege de klachten omtrent drugsgebruik en zijn zeer aannemelijke betrokkenheid bij drugshandel.
Op basis van de bovenstaande bevindingen, o.a. uit tabs en observaties, constateert de politie dat u, de heer [gedaagde sub 1] , meerdere malen met meerdere personen belt over deals en het betalen van geld. U doet dit ook vanuit uw woning aan de [adres] , maar u spreekt daarbij op andere locaties af. De horecagelegenheid van uw zoon heeft hierbij een betrokkenheid. De politie concludeert dat u uw handel ook regelt vanuit uw woning.
Antecedenten: U, de heer [gedaagde sub 1] , heeft verschillende antecedenten in relatie tot het bezit van wapens en het bezit en de handel in softdrugs. Ook u, mevrouw [gedaagde sub 2] , heeft diverse antecedenten achter uw naam staan die betrekking hebben op wapenbezit en opiumdelicten.
U heeft, zo blijkt uit het onderzoek, de beschikking over een aanzienlijk vermogen. U bezit verschillende stukken vastgoed in het buitenland. Deze zijn voor aanzienlijke bedragen gekocht. Dit terwijl u beide ook nog de beschikking heeft over een uitkering, al sinds een groot aantal jaren.
U, mevrouw [gedaagde sub 2] , riep bij de doorzoeking in een andere taal iets tegen één van uw eigen kinderen. Eén van de aanwezige agenten sprak die taal echter. Zodoende was duidelijk dat u erop wees dat er geld verstopt was. U moet dus op de hoogte zijn geweest van dit soort zaken in uw woning.