ECLI:NL:RBMNE:2017:5258

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 oktober 2017
Publicatiedatum
19 oktober 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2580
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingenECLI:NL:RVS:2009:BH9242ECLI:NL:RVS:2011:BU7037
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen terugvordering kinderopvangtoeslag 2015

Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over 2015, waarbij de Belastingdienst een bedrag van € 813,- vaststelde en € 1.399,- terugvorderde. Na bezwaar werd dit bedrag aangepast naar een toeslag van € 970,-, waartegen eiser beroep instelde.

De rechtbank stelde vast dat de Belastingdienst uitging van het juiste aantal opvanguren en het juiste aantal gewerkte uren van de toeslagpartner. Hoewel eiser betoogde dat hij op grond van het voorschot en de toeslag over 2014 mocht vertrouwen op een hoger bedrag, verwierp de rechtbank dit op basis van vaste jurisprudentie dat een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen schept.

Verder wees de rechtbank het beroep af omdat de terugvordering dwingendrechtelijk is voorgeschreven in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, en dat de berekening zelfs in het voordeel van eiser uitviel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak werd mondeling gedaan op 5 oktober 2017.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering kinderopvangtoeslag over 2015 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/2580

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

Belastingdienst / Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 definitief berekend en vastgesteld op € 813,-. Daarbij heeft verweerder
€ 1.399,- aan teveel ontvangen kinderopvangtoeslag van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 29 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 aangepast en vastgesteld op € 970,-. Daarbij heeft verweerder € 167,- aan te weinig ontvangen kinderopvangtoeslag aan eiser toegekend.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser recht heeft op kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2015 voor 24 opvanguren per maand, gebaseerd op het totaal aantal gewerkte uren van eisers toeslagpartner, dat door het UWV voor 2015 is vastgesteld op 170 uur. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht en aan de hand van een berekening inzichtelijk gemaakt dat - in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit is vermeld - eiser eigenlijk voor 2015 slechts recht heeft op kinderopvangtoeslag voor 20 opvanguren per maand en op een bedrag aan kinderopvangtoeslag van € 813,-. Verweerder heeft echter toegezegd dat de hoogte van de toeslag die bij het bestreden besluit is vastgesteld niet alsnog ten nadele van eiser zal worden aangepast.
3. Ter zitting is vastgesteld dat eiser de berekening van verweerder van de kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2015 op zichzelf niet betwist en dat verweerder is uitgegaan van een juist aantal opvanguren en het juiste aantal gewerkte uren van eisers toeslagpartner. Deze berekening leidt uiteindelijk tot een recht op kinderopvangtoeslag van
€ 813,-, en is dus lager dan de € 970,- die verweerder bij het bestreden besluit had vastgesteld.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2015, dat nagenoeg gelijk was aan de definitieve kinderopvangtoeslag over 2014, juist was berekend en dat hij daarop aanspraak kon maken. Eiser heeft erop gewezen dat hij over berekeningsjaar 2014 een hoger bedrag aan kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan over berekeningsjaar 2015, terwijl de situatie over de beide jaren nagenoeg gelijk was. Het bruto inkomen van zijn toeslagpartner over 2015 was weliswaar iets lager dan het bruto inkomen over 2014, maar dit rechtvaardigt volgens eiser niet zo een groot verschil aan kinderopvangtoeslag zoals dat nu het geval is.
5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het recht op kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2014 niet juist is vastgesteld. Over berekeningsjaar 2014 heeft geen controle plaatsgevonden, waardoor eiser een hoger bedrag aan toeslag heeft ontvangen dan waarop hij feitelijk recht had. Omdat de kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2014 al definitief is vastgesteld, zal verweerder deze niet meer wijzigen. Eiser kan hieraan echter geen rechten ontlenen voor wat betreft berekeningsjaar 2015.
6. Het betoog van eiser slaagt niet. Zoals ter zitting is besproken, is het systeem van toeslagen zo ingericht dat op aanvraag van een betrokkene een voorschot wordt uitgekeerd. Uit de wet en uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat er bij de definitieve vaststelling van de toeslag na afloop van het jaar ook daadwerkelijk aanspraak bestaat op dat bedrag (zie bijvoorbeeld 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9242 en ECLI:NL:RVS:2011:BU7037). Eiser heeft dus aan de verlening van het voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen mogen ontlenen dat hij ook daadwerkelijk dat bedrag zou krijgen bij de definitieve berekening van de toeslag. Ook aan de definitieve - en achteraf gebleken te hoge - vaststelling van de kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2014, kan eiser voor berekeningsjaar 2015 geen rechten ontlenen.
7. Eiser heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit disproportioneel is en dat om die reden van terugvordering dient te worden afgezien.
8. Ook dit betoog slaagt niet. In dit kader overweegt de rechtbank dat in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) dwingendrechtelijk is bepaald dat indien een herziening van een voorschot tot een terug te vorderen bedrag leidt, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan verweerder van terugvordering kan afzien. Overigens wordt hierbij opgemerkt dat over berekeningsjaar 2015 aan eiser een toeslag is toegekend over 24 opvanguren per maand, terwijl hij eigenlijk recht heeft op toeslag over 20 opvanguren per maand, zodat de berekening over 2015 daarmee in het voordeel van eiser is uitgevallen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van
mr. C. de Blaeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.