Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1]
[eiser sub 2],
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 3],
[gedaagde sub 4],
1.De procedure
- het eindvonnis in het incident en tussenvonnis in de hoofdzaak van 25 januari 2017
- de comparitie van partijen van 13 juni 2017, bij gelegenheid waarvan beide partijen nadere stukken in het geding hebben gebracht. Partijen hebben ook ieder aan de hand van pleitaantekeningen gepleit.
2.De feiten
1.022.513
646.565+
PM
3.Het geschil van partijen
1 januari 2010;
€ 6.775 begroot conform de staffel buitengerechtelijke kosten alsmede € 10.822,88 inclusief BTW wegens beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling;
4.De beoordeling
178.425
94.948
178.425,00
94.948,00
€ 1.298.200,00, afkomstig uit de verkoopopbrengst van een aan de kinderen [eisers] toebehorende en niet onder bewind staande woning te [woonplaats] wordt gesecureerd ten behoeve van het door [erflater] aan [A] gegeven legaat. In die dagvaarding is de notaris verweten dat zij ervan op de hoogte was of had moeten zijn dat [gedaagde sub 1] als executeur reeds had verklaard in de verklaring van erfrecht (die door het kantoor van de notaris was opgesteld) en de aangifte erfbelasting dat hij reeds een bedrag van ruim 1 miljoen euro voor dat doel had gesecureerd en bovendien, anders dan in de akte staat, dat de schuld van [erflater] veel kleiner was dan in deze akte is gesuggereerd. De rechtbank Amsterdam heeft de kinderen [eisers] in het gelijk gesteld. Nadat de zaak in hoger beroep was hebben de kinderen [eisers] en de notaris de vaststellingsovereenkomst gesloten.
€ 1.298.200,00 (de opbrengst van de vermelde woning) in 2009 uit het vermogen van de kinderen [eisers] heeft verplaatst naar het vermogen dat onder zijn bewind was. Voorts stelt de rechtbank vast dat [gedaagde sub 1] pas in de jaren 2010 en 2011 dat bedrag heeft overgemaakt aan [bedrijf 4] BV en [bedrijf 5] BV. In 2009 is weliswaar € 1.298.200,00 ten onrechte uit het niet onder bewind staande vermogen van de kinderen [eisers] weggenomen, maar als [gedaagde sub 1] dat vermogen inderdaad blijvend zou hebben gesecureerd, hadden de kinderen [eisers] daardoor op zichzelf geen schade geleden. De schade is eerst ontstaan in 2010 doordat [gedaagde sub 1] in dat jaar het ‘gesecureerde’ vermogen heeft overgemaakt aan [bedrijf 4] BV en [bedrijf 5] BV. Dat betekent dat de gehele schade uit dit voorval in schadeperiode II is ontstaan, zodat het gehele bedrag in mindering moet worden gebracht op de over schadeperiode II te betalen schadevergoeding. Deze voordeelsverrekening heeft ook gevolgen voor de berekening van de wettelijke rente, zoals hierna zal worden besproken.
1.050.000,00-/-
€ 8.345,00
6.422,00(2 punten à € 3.211,00)