Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 2], wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde sub 3], wonende te [woonplaats] ,
hierna ook wel gezamenlijk aan te duiden als [gedaagde sub 1] c.s.,
4 [gedaagde sub 4] , wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde sub 6], wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde sub 7], wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde sub 8] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[gedaagde sub 9], wonende te [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk ook wel aan te duiden als [gedaagde sub 5] c.s.,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 2 november 2016,
- het proces-verbaal van comparitie van 14 februari 2017,
- de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging van eis van 19 april 2017,
- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 1] c.s. van 17 mei 2017,
- de brief van mr. Menouar van 9 juni 2017 waarmee een productie genummerd 30 is toegezonden.
2.De feiten
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn bestuurders van [gedaagde sub 1] .
(de rechtsvoorganger van) [gedaagde sub 1] voor 40 uur per week. Hij vervulde aanvankelijk de functie van algemeen medewerker. Later is hij teamleider geworden en hield hij zich voornamelijk bezig met het leidinggeven aan de inrichting en bekabeling van werkplekken bij de klant. Met ingang van 3 september 2012 is de werktijd van [eiser] aangepast van 40 uur naar 32 uur per week. [eiser] ontving van [gedaagde sub 1] een salaris per periode van vier weken en nam deel in de pensioenregeling.
[gedaagde sub 8] is enig aandeelhouder en, samen met [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] , bestuurder van [gedaagde sub 5] .
[gedaagde sub 9] is de vader van [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] . Hij is bestuurder van [gedaagde sub 8] .
[gedaagde sub 1] was leverancier van [gedaagde sub 5] voor onder meer monitorarmen.
heeft in de jaren 2011 en volgende in opdracht van [gedaagde sub 1] ook werkplekken van klanten van [gedaagde sub 1] ingericht. [eiser] heeft bij de uitvoering van die werkzaamheden samengewerkt met medewerkers van [gedaagde sub 5] .
[gedaagde sub 4] was tot 16 januari 2015 enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijfsnaam] . Daarna is
In deze mantelovereenkomst is – samengevat en voor zover van belang – het volgende bepaald.
[bedrijfsnaam] en dat [bedrijfsnaam] twee medewerkers van [gedaagde sub 1] zal overnemen die behoren bij de diensten rond project/ […] management op basis van overgang van onderneming.
In artikel 22 lid 4 is Pro vermeld dat deze werknemers de heren [eiser] en [A] zijn.
[gedaagde sub 1] diensten zal verlenen ten behoeve van door [gedaagde sub 1] uit te voeren werkzaamheden, voor [gedaagde sub 1] zelf of voor de eventuele, in de desbetreffende opdracht nader te noemen relatie van [gedaagde sub 1] . Verder is vermeld dat [gedaagde sub 1] alle diensten met betrekking tot […] management uit zal besteden aan [bedrijfsnaam] , alsmede dat het [bedrijfsnaam] niet is toegestaan de werkzaamheden uit te besteden aan een derde partij zonder voorafgaand akkoord van [gedaagde sub 1] .
1 februari 2014 tot 31 januari 2017 onder de vermelding dat sprake is van een continu dynamisch proces
.Tussentijdse beëindiging van de overeenkomst is volgens artikel 18 van Pro de mantelovereenkomst onder meer mogelijk indien één van partijen haar ondernemingsactiviteiten staakt.
€ 10.000 per maand mag factureren aan [gedaagde sub 1] .
[…] management bij [gedaagde sub 1] aan te kunnen bieden, dat [bedrijfsnaam] en [gedaagde sub 5] direct of indirect worden geleid door dezelfde personen en dat de aandelen van [bedrijfsnaam] op termijn voor meer dan 50% worden overgedragen aan [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] .
In de sideletter is verder vastgelegd dat de artikelen 4 (over onderaanneming), 19 (over overname van elkaars personeel), 25 (geheimhouding) en 26 (over concurrentie) van de mantelovereenkomst ook van toepassing zijn op alle vennootschappen, rechtspersonen en ‘anderszins vormgegeven ondernemingen’ die direct of indirect worden geleid door
[gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] of waarbij zij zijn betrokken als belanghebbenden.
In de sideletter is verder nog vastgelegd dat [gedaagde sub 1] bij voorbaat toestemming aan [bedrijfsnaam]
heeft verleend om medewerkers in te huren van [gedaagde sub 5] voor het uitvoeren van opdrachten als bedoeld in de mantelovereenkomst.
Verder is in de brief vermeld dat [bedrijfsnaam] de arbeidsvoorwaarden zal overnemen en voortzetten en dat het dienstverband van [eiser] van rechtswege zal eindigen indien hij niet mee over zou willen gaan.
[A] heeft een soortgelijke brief ontvangen.
Op 25 april 2014 heeft [eiser] per sms aan [gedaagde sub 7] laten weten dat te weinig salaris
was uitbetaald en dat hij na zijn vakantie graag een gesprek wilde over hoe nu verder.
‘ [gedaagde sub 5] zal, ter voorkoming van schade, mensen leveren zodat [gedaagde sub 1] haar projecten kan uitvoeren.’Daarmee heeft [B] blijkens zijn e-mailbericht van
5 oktober 2014 ingestemd.
‘Naar aanleiding van uw mail van 5 oktober 2014, betreffende het staken van de activiteiten van [bedrijfsnaam] B.V. per 6 oktober jl. en daarmee uw tussentijdse directe opzegging van de mantelovereenkomst, bevestigen wij hierbij deze opzegging van de mantelovereenkomst tussen [bedrijfsnaam] B.V. en [gedaagde sub 1] B.V. conform artikel 16 lid 1 van Pro deze overeenkomst per 6 oktober 2014, waarmee de omzetgarantie in zijn geheel komt te vervallen. (…)’
de activiteiten niet voldoende inzichtelijk gemaakt. Verder heeft het UWV overwogen dat onduidelijkheid is blijven bestaan omtrent de verwevenheid van [bedrijfsnaam] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 5] , zodat het UWV niet kon beoordelen binnen welke entiteit afspiegeling moest plaatsvinden.
De curator heeft [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 4] aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort.
Dat heeft uiteindelijk geleid tot een minnelijke regeling waaraan [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 4] hebben voldaan door ieder een bedrag van € 4.000 te betalen aan de curator. Als onderdeel van deze regeling heeft [gedaagde sub 5] haar vordering op [bedrijfsnaam] in verband met de inhuur van personeel laten vallen.
De curator heeft ook [gedaagde sub 1] aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort. [gedaagde sub 1] heeft aansprakelijkheid betwist. Een regeling tussen de curator en [gedaagde sub 1] is (nog) niet tot stand gekomen.
28 februari 2015 en € 2.190,52 over de periode van 1 december 2014 tot en met
31 december 2014) dient terug te betalen.
In het onderzoeksrapport is opgenomen dat het erop lijkt dat [gedaagde sub 1] heeft geprobeerd van [A] en [eiser] , de enige werknemers die ten tijde van het faillissement een inkomstenverhouding hadden met [bedrijfsnaam] , af te komen door ze over te laten gaan naar [bedrijfsnaam] . Volgens de onderzoeker(s) werden [A] en [eiser] feitelijk niet aangestuurd door de bestuurder van [bedrijfsnaam] , zodat geen sprake was van een gezagsverhouding en zijn ook de salarisbetalingen niet door [bedrijfsnaam] gedaan ( maar door [gedaagde sub 1] als de partij die de bankrekening van [bedrijfsnaam] voedde). Het UWV heeft daarom geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen [bedrijfsnaam] en ( [A] ) en [eiser] .
Bij beslissing op bezwaar van 18 januari 2016 (productie 21 van [eiser] ) heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard. In deze beslissing is overwogen dat geen sprake is van overgang van onderneming van [gedaagde sub 1] naar [bedrijfsnaam] , en dat er evenmin een gezagsverhouding bestond tussen [bedrijfsnaam] en [eiser] . Volgens het UWV is geen sprake is geweest van een overgang van onderneming, omdat in artikel 3 van Pro de mantelovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam] staat dat deze van tijdelijke aard is en een tijdelijke uitbesteding van een deel van de werkzaamheden van [gedaagde sub 1] naar [bedrijfsnaam] niet kan worden aangemerkt als een overgang van onderneming. Daarvoor moet volgens de motivering van het UWV sprake zijn van het duurzaam overnemen van een economische eenheid die (een deel van) de onderneming vormde.
24 maart 2015 tot en met 15 november 2015 heeft ontvangen, teruggevorderd.
In deze uitspraak heeft de bestuursrechter overwogen dat geen sprake is geweest van overgang van onderneming van [gedaagde sub 1] naar [bedrijfsnaam] , omdat geen sprake is van identiteitsbehoud, aangezien niet gesteld of gebleken is dat de arbeidsovereenkomsten van [eiser] en [A] zijn overgedragen aan [bedrijfsnaam] .
Verder heeft de bestuursrechter in deze uitspraak geoordeeld dat [eiser] zijn standpunt dat door de feitelijke gang van zaken (er was een gezagsverhouding tussen hem en [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam] betaalde hem loon) een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijfsnaam] is ontstaan, niet aannemelijk is geworden. Meer in het bijzonder is er volgens de bestuursrechter onvoldoende gebleken dat sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen [bedrijfsnaam] en [eiser] .
3.De vordering en het verweer
a) een verklaring voor recht dat hij – samengevat – (ook na 1 maart 2014) in dienst is
gebleven van [gedaagde sub 1] ,
b) veroordeling van [gedaagde sub 1] , onder overlegging van deugdelijke bruto-netto salarisspecificaties,
tot betaling van een bedrag van € 44.276,10 netto aan achterstallig salaris over de periode
van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente
en de wettelijke verhoging en wettelijke rente van 50% zijnde het bedrag van € 22.138,06
(netto), alsmede doorbetaling van het gebruikelijke salaris vanaf 1 januari 2017 met
wettelijke verhoging en wettelijke rente,
c) toelating tot de werkzaamheden (omdat hij volledig arbeidsgeschikt is), op straffe van een
dwangsom.
d) een verklaring voor recht dat alle gedaagden jegens hem aansprakelijk zijn op grond van
een onrechtmatige daad voor de volledige schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als
gevolg van de door gedaagden geconstrueerde overgang van onderneming van [gedaagde sub 1] naar
[bedrijfsnaam] ,
e) hoofdelijke veroordeling van alle gedaagden tot betaling van een schadevergoeding van
€ 1.500 aan hem, alsmede een veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken
bij staat,
buitengerechtelijke incassokosten.
Volgens [eiser] is er geen sprake van overgang van onderneming in de zin van artikel
7:662 BW en is hij ook na 1 maart 2014 in dienst gebleven van [gedaagde sub 1] . Het dienstverband met [gedaagde sub 1] is volgens hem niet overgegaan naar [bedrijfsnaam] .
Hij verwijt gedaagden dat zij, in een periode dat hij arbeidsongeschikt was en extra kwetsbaar vanwege de begeleiding van het sterfbed van zijn echtgenote en de zorg voor zijn jonge kind, een schijnconstructie hebben opgezet en hebben getracht op een goedkope wijze van hem af te komen door zijn arbeidsovereenkomst te laten overgaan naar een lege vennootschap. Hij stelt dat de schijnconstructie geen effect heeft gehad, zodat hij steeds in dienst is gebleven van [gedaagde sub 1] . Hij stelt verder dat alle gedaagden hebben bijgedragen aan de omvangrijke (inkomens)schade die hij heeft geleden en daarom hoofdelijk verantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor die schade. Hij verwijt ook alle gedaagden hoofdelijk dat hij door hun toedoen noodgedwongen verwikkeld is geraakt in allerlei juridische procedures.
[gedaagde sub 1] c.s. stelt dat [eiser] door overgang van onderneming per 1 maart 2014 in dienst is gekomen van [bedrijfsnaam] en dat hij door overgang van onderneming per 6 oktober 2014 in dienst is gekomen van [gedaagde sub 5] .
c.s. stelt eveneens dat [eiser] per 1 maart 2014 door overgang van onderneming in dienst is gekomen van [bedrijfsnaam] . Zij stelt onder verwijzing naar het vonnis van de kantonrechter in de zaak tussen [A] en [gedaagde sub 1] dat [eiser] vanaf 6 oktober 2014 in dienst is van [gedaagde sub 1] .
c.s. en [gedaagde sub 5] c.s. betwisten dat [bedrijfsnaam] is gebruikt om een schijnconstructie op te tuigen. De personen die gelieerd zijn aan [gedaagde sub 5] betwisten verder dat misbruik is gemaakt van faillissementsrecht.
4.De beoordeling
i) de uitbesteding van werkzaamheden van [gedaagde sub 1] die zien op de inrichting en bekabeling van werkplekken (project- en […] management) bij klanten van [gedaagde sub 1] aan [bedrijfsnaam] , en
ii) de overdracht van de arbeidsovereenkomsten met [eiser] en [A] door [gedaagde sub 1] aan [bedrijfsnaam] .
[gedaagde sub 1] werkte voordat zij de mantelovereenkomst en de daarbij behorende sideletter overeenkwam, samen met [gedaagde sub 5] , in die zin dat werknemers van [gedaagde sub 5] met enige regelmaat, samen met werknemers van [gedaagde sub 1] , [eiser] en [A] , ten behoeve van de klanten van [gedaagde sub 1] project- en […] managementwerkzaamheden verrichtte. [gedaagde sub 1] had dus al een geschiedenis met [gedaagde sub 5] .
[gedaagde sub 1] heeft bovendien in deze procedure het standpunt ingenomen dat zij de
project- en […] managementwerkzaamheden eigenlijk aan [gedaagde sub 5] wenste uit te besteden, en dit ook aan [gedaagde sub 5] kenbaar heeft gemaakt. [gedaagde sub 5] wilde dit volgens [gedaagde sub 1] echter niet, omdat zij [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 1] in de markt als elkaars concurrenten worden beschouwd en heeft toen op eigen initiatief [bedrijfsnaam] naar voren geschoven. [gedaagde sub 5] heeft dit standpunt van [gedaagde sub 1] niet (gemotiveerd) betwist.
Dat uitbesteding van de hier aan de orde zijnde werkzaamheden aan [gedaagde sub 5] is beoogd kan ook nog worden opgemaakt uit de wijze waarop de werkzaamheden bij de klanten van [gedaagde sub 1] na
1 februari of 1 maart 2014 feitelijk zijn uitgevoerd. Die werkzaamheden zijn immers onder leiding van [gedaagde sub 6] en [gedaagde sub 7] (bestuurders van [gedaagde sub 5] ) verricht en voor een belangrijk deel niet door [eiser] of [A] , maar door personeel van [gedaagde sub 5] uitgevoerd. Ten tijde van het faillissement van [bedrijfsnaam] stond zelfs een vordering van [gedaagde sub 5] voor het beschikbaar stellen van personeel open voor een bedrag van iets meer dan € 30.000.
De omstandigheid dat vanwege de arbeidsongeschiktheid van [eiser] een vervangende kracht voor hem moest worden ingezet, maakt dit niet anders, aangezien alle partijen ( [gedaagde sub 1] , [bedrijfsnaam] en [gedaagde sub 5] ) al voor het sluiten van de mantelovereenkomst en sideletter ermee bekend waren dat [eiser] arbeidsongeschikt was en dit dus door partijen moet zijn ingecalculeerd.
Geconcludeerd wordt dat dit zeker niet het geval is. Het staat buiten kijf dat partijen bij de mantelovereenkomst de overgang van de arbeidsovereenkomsten van [gedaagde sub 1] naar [bedrijfsnaam] hebben beoogd. Volgens [eiser] was die overgang zelfs het enige oogmerk om de mantelovereenkomst met [bedrijfsnaam] als tussengeschoven lege vennootschap te sluiten.
De schriftelijke opzegging van de mantelovereenkomst door [bedrijfsnaam] per e-mail van
1 oktober 2014 en de schriftelijke bevestiging van [gedaagde sub 1] van die opzegging per aangetekende brief van 9 oktober 2014 heeft aan de contractsoverneming dus een einde gemaakt. Daardoor is [eiser] vanaf 6 oktober 2014 weer in dienst van [gedaagde sub 1] en heeft [gedaagde sub 1] de arbeidsovereenkomst met [eiser] weer teruggekregen.
(van 32 uur per week) bedroeg exclusief vakantietoeslag. De kantonrechter zal daarom van die bedragen uitgaan.
[gedaagde sub 1] stelt dat [eiser] moet aantonen met ingang van welke datum hij weer volledig hersteld is omdat zij zelf niet over de relevante gegevens beschikt. De kantonrechter verwerpt dit betoog van [gedaagde sub 1] . Zij heeft met ingang van 6 oktober 2014 alle rechten en plichten van [bedrijfsnaam] jegens [eiser] overgenomen. Daarbij horen ook de plichten om [eiser] te re-integreren en om daarover contact te onderhouden met de bedrijfsarts. [gedaagde sub 1] (of haar rechtsvoorganger [bedrijfsnaam] ) heeft die plichten ernstig verzaakt. Tegen die achtergrond is een beroep op de regel dat in het tweede ziektejaar slechts 70% van het loon hoeft te worden betaald in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter zal [gedaagde sub 1] daarom veroordelen om aan [eiser] zijn volledige salaris door te betalen vanaf 1 maart 2014, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.
De kantonrechter zal daarbij bepalen dat [gedaagde sub 1] hetgeen reeds aan salaris is betaald door [bedrijfsnaam] in mindering mag brengen.
De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.
Bij een niet-consument als schuldenaar is er geen (verplichting tot het sturen van een) 14 dagen brief, zodat bij dergelijke zaken nog steeds getoetst moet worden of er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet relevant welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht (r.o. 3.6), zodat in beginsel een enkele brief voldoende is. Tegen deze achtergrond is het gevorderde bedrag van € 1.275 voor toewijzing vatbaar.
dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . Deze kosten worden begroot op € 471 voor griffierecht, € 94,08 voor kosten van de dagvaarding en € 1.200 ( 3 punten tarief € 400) voor salaris gemachtigde.