ECLI:NL:RBMNE:2017:4115

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 augustus 2017
Publicatiedatum
11 augustus 2017
Zaaknummer
16-703125-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 126a SvArt. 552a SvArt. 591 SvArt. 591a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten raadsman en tijdsverzuim na niet-ontvankelijkheidsverklaring beklagprocedure

Verzoekster heeft een vergoeding gevorderd voor reiskosten, tijdsverzuim en de kosten van haar raadsman in verband met een beklagprocedure ex artikel 552a Sv tegen een bevel ex artikel 126a Sv. Deze beklagprocedure werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bevel tot uitlevering was ingetrokken. De officier van justitie stelde dat daardoor geen wettelijke grondslag bestond voor vergoeding van de raadsman.

De rechtbank overwoog dat ondanks de niet-ontvankelijkheidsverklaring, gezien de bijzondere omstandigheden waaronder de Hoge Raad de eerdere beschikking vernietigde en de intrekking van het bevel pas na die uitspraak plaatsvond, verzoekster recht heeft op vergoeding. De reiskosten werden berekend op basis van een kilometervergoeding van €0,28 per kilometer, de tijdsverzuimkosten werden als redelijk en billijk beoordeeld en de kosten van de raadsman werden geaccepteerd op basis van overgelegde urenspecificaties en declaraties.

De rechtbank kende daarom een totale vergoeding van €21.379,43 toe, inclusief een vergoeding van €550,- voor het indienen en mondeling toelichten van het verzoekschrift. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoekster krijgt ondanks niet-ontvankelijkheid vergoeding van €21.379,43 voor kosten raadsman, tijdsverzuim en reiskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Lelystad
Parketnummer: 16-703125-13
Rekestnummer: 17-1101
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het op 7 april 2017 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift op grond van het bepaalde in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), van

De vennootschap onder forma [verzoeker] , (hierna te noemen: verzoeker),

gevestigd [vestigingsplaats] , [adres] ,
domicilie kiezende ten kantore van diens raadsman, mr. P.G. Grijpstra, advocaat te Deurne.
Het verzoekschrift is in openbare raadkamer behandeld op 25 juli 2017.
Gehoord zijn de officier van justitie, A. van Hoorn namens verzoeker en de raadsman van verzoeker, mr. P.G. Grijpstra.
Het verzoek strekt er toe dat de rechtbank een vergoeding toekent voor de reiskosten ten bedrage van € 169,12, de kosten vanwege tijdverzuim ten bedrage van € 754,40, de kosten van de raadsman ten bedrage van € 19.905,91 en de kosten van de raadsman voor het indienen en mondeling behandelen van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft kennis genomen van voornoemd verzoekschrift, het schriftelijke advies van de officier van justitie d.d. 22 mei 2017, het standpunt wat betreft de verletkosten ingebracht tijdens de behandeling in raadkamer door A. van Hoorn.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
Op 3 november 2014 heeft de politie bij bevel ex artikel 126a Sv bevolen opgave te doen of inzage of afschrift te geven van alle inhoudelijke gegevens inzake alle sale-lease-back transacties waarin verzoekster en/of aan haar gerelateerde (rechts)personen betrokken zijn en/of waarbij (mede) betrokkenheid is van één of meerdere van een zevental (rechts)personen;
Op 14 november 2014 heeft verzoekster ex artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend, welk klaagschrift bij beschikking van 24 maart 2015 ongegrond is verklaard;
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 23 februari 2016 voormelde beschikking van 24 maart 2015 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank;
Bij beschikking van 6 juli 2016 (en de herstelbeslissing van 7 juli 2016) is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag omdat het bevel tot uitlevering was ingetrokken. De intrekking was op 3 juni 2016 per e-mail aan de rechtbank en de raadsman medegedeeld en bij de behandeling in raadkamer door de officier van justitie bevestigd;
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 10 januari 2017 verzoekster niet-ontvankelijk verklaard;
Op 7 april 2017 is onderhavig verzoekschrift ex artikel 591 jo Pro. 591a Sv binnengekomen bij de rechtbank.
Overwegingen

Reis- en verblijfkostenDe rechtbank is van oordeel dat voor zover het verzoek ziet op reis- en verblijfkosten, deze voor vergoeding in aanmerking komen, zij het dat de vergoeding krachtens artikel 591a Sv moet worden berekend aan de hand van het bij of krachtens de Wet Tarieven in Strafzaken bepaalde. Dat brengt met zich dat nu reizen met het openbaar vervoer redelijkerwijs niet aan de orde was, een kilometervergoeding wordt berekend van € 0,28 per kilometer, derhalve in totaal € 169,12.

TijdverzuimVoor zover het verzoek ziet op de kosten van tijdverzuim voor de behandeling van de zaak in raadkamer, overweegt de rechtbank dat kosten waar verzoeker vergoeding van heeft gevraagd voor vergoeding in aanmerking komen. Daartoe overweegt de rechtbank dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van tijdverzuim voor de behandelingen van de zaak in raadkamer redelijk en billijk zijn. De gevraagde vergoeding van € 754,40 zal dan ook worden toegekend.

Kosten rechtsbijstand

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een wettelijke grondslag ontbreekt om een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman nu de zaak is geëindigd in een niet-ontvankelijkheidsverklaring van verzoekster.
De raadsman heeft aangevoerd dat de kosten voor rechtsbijstand, ondanks dat de zaak is geëindigd in een niet-ontvankelijkheidsverklaring van verzoekster, wel in aanmerking komen voor vergoeding, omdat het onredelijk zou zijn om de kosten niet te vergoeden.
De rechtbank overweegt dat een redelijke wetstoepassing met zich mee brengt dat, ondanks dat de zaak is geëindigd in een niet-ontvankelijkheidsverklaring van klaagster, verzoekster recht heeft op een vergoeding. De officier van justitie heeft pas het bevel tot uitlevering ingetrokken nadat de Hoge Raad klaagster in het gelijk had gesteld. Daarnaast heeft de officier van justitie – blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 28 juni 2016 – aangevoerd dat, indien klaagster ontvankelijk zou zijn in haar klaagschrift, het klaagschrift gegrond diende te worden verklaard omdat de intrekking van het bevel heeft plaatsgevonden als gevolg van de procedure.
De rechtbank overweegt gezien het bovenstaande dat de raadsman namens verzoekster in raadkamer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat alle verrichte en gedeclareerde werkzaamheden met het oog op een behoorlijke verdediging noodzakelijk zijn geweest. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties en het beloop daarvan valt niet als bovenmatig aan te merken. De gevraagde vergoeding van € 19.905,91 zal dan ook worden toegekend.

Kosten indienen en mondeling toelichten verzoek

De rechtbank is van oordeel dat aan kosten van de raadsman voor het indienen en mondeling toelichten van het verzoekschrift een vergoeding op zijn plaats is zoals die gewoonlijk wordt toegewezen, te weten €550,- (inclusief btw).
In totaal is derhalve naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking nemend, een vergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 21.379,43.
Beslissing
De rechtbank:
- kent toeaan verzoeker uit 's Rijks kas een vergoeding ten bedrage van
€ 21.379,43(zegge: eenentwintigduizenddriehonderdennegenzeventig euro en drieënveertig eurocent);
- beveeltde griffier van deze rechtbank voormeld bedrag aan verzoeker uit te betalen op rekeningnummer NL31RABO0121430111, t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Goorts & Coppens Advocaten B.V. te Deurne, o.v.v. 20140652
Deze beslissing is gewezen door mr. R.B. Eigeman, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van P. Lootsma, griffier en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 8 augustus 2017.
Tegen deze beslissing staat voor verzoekster en het openbaar ministerie hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.