Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[betrokkene] ,
OVERWEGINGEN
BESLISSING
wijst afde vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen
.
Rechtbank Midden-Nederland
Betrokkene is sinds 2011 geplaatst in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel), die reeds meerdere malen is verlengd. Het openbaar ministerie verzocht om verlenging van deze maatregel met zes maanden vanwege een hoog recidiverisico, onderbouwd met een advies van de behandelinstelling en een risicotaxatie (Savry).
De deskundige, gehoord tijdens de zitting, gaf aan dat verdere behandeling binnen de PIJ-maatregel niet haalbaar is en dat verlenging zou neerkomen op verkapte detentie, mede doordat betrokkene zijn onbegeleid verlofstatus is kwijtgeraakt. Familie en maatschappelijke opvang zijn beschikbaar, en betrokkene kan ambulante hulp ontvangen.
De rechtbank oordeelt dat verlenging van de maatregel niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene, ondanks het hoge recidiverisico. De maatregel heeft ruim vijf jaar geduurd, waarbij betrokkene emotioneel afvlakte en internaliserende problematiek vertoonde. De rechtbank wijst daarom de vordering tot verlenging af en benadrukt het belang van ambulante hulp na beëindiging van de maatregel.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel af omdat verlenging niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene.