Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde een strafzaak tegen een 62-jarige man uit Apeldoorn die werd verdacht van valsheid in geschrift en belastingfraude. Hij zou via huurverhogingen van panden die hij aan zijn werkgever verhuurde, een fiscaal gunstige regeling hebben getroffen om een premie als huur te laten uitbetalen, waardoor hij onjuiste belastingaangiften zou hebben gedaan.
De officier van justitie stelde dat de verdachte met voorwaardelijk opzet toestemming had gegeven voor deze constructie, terwijl de verdediging ontkende dat de verdachte bewust was van de fiscale gevolgen en betwistte het bestaan van de e-mails die dit zouden bewijzen. De rechtbank oordeelde dat de allonges niet als vals konden worden aangemerkt omdat zij overeenkwamen met de werkelijkheid en dat er geen bewijs was dat de verdachte het opzet had om belastingfraude te plegen.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank benadrukte dat een civielrechtelijke beoordeling niet uitsluit dat strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt, maar dat in deze zaak het bewijs voor strafrechtelijke vervolging ontbrak.
De zaak illustreert het belang van het onderscheid tussen civielrechtelijke en strafrechtelijke normen en het vereiste van overtuigend bewijs voor opzet bij strafrechtelijke vervolging van fiscale delicten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van valsheid in geschrift en belastingfraude wegens gebrek aan bewijs voor opzet en valsheid.