Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , verzoekster
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster ontving aanvankelijk een bovenwettelijke uitkering naast haar WW-uitkering, die later werd verlengd tot 21 juli 2023. Na bezwaar werd deze verlenging aangepast tot 17 januari 2024 (bestreden besluit I). Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens wijzigde verweerder het besluit opnieuw tot 22 juli 2025 (bestreden besluit II). De rechtbank achtte het beroep mede gericht tegen dit tweede besluit. Verzoekster trok haar beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de wijziging van het besluit voortvloeide uit de nieuwe CAO Primair Onderwijs 2016, die per 1 juli 2016 inging, en niet uit onrechtmatigheid van het bestuursorgaan. Omdat de gewijzigde besluitvorming niet was ingegeven door de gronden van het beroep, bestond geen reden voor proceskostenveroordeling.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding daarom af. Zij verwees naar de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, die proceskostenvergoeding alleen toestaan bij herroeping van een besluit wegens aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en is openbaar.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat de wijziging van het besluit het gevolg is van nieuwe CAO-regelgeving en niet van onrechtmatigheid van het bestuursorgaan.