Op 1 januari 2017 vond in Almere een vechtpartij plaats waarbij verdachte het slachtoffer met een klap in het gezicht mishandelde. De rechtbank stelde vast dat verdachte en medeverdachte niet gezamenlijk handelden, waardoor verdachte partieel werd vrijgesproken van medeplegen. Tevens ontbrak het causaal verband tussen de handeling van verdachte en het zware lichamelijke letsel, een subduraal hematoom, bij het slachtoffer, waardoor verdachte ook partieel werd vrijgesproken van dat element.
De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer mishandelde en dat het slachtoffer pijn ondervond door de klap, afgeleid uit het feit dat het slachtoffer door de klap op de grond viel. De rechtbank legde een lagere straf op dan geëist door de officier van justitie, namelijk een gevangenisstraf van één week met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd de bij vonnis van de politierechter opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd met één jaar verlengd.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar de rechtbank oordeelde dat er geen causaal verband was tussen het bewezenverklaarde feit en de gevorderde schade, waardoor de vordering niet-ontvankelijk werd verklaard. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf werd gedeeltelijk toegewezen door verlenging van de proeftijd.
De rechtbank baseerde haar oordeel op getuigenverklaringen, het verhoor van verdachte en het dossier. De strafoplegging hield rekening met de aard en ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het recidiverisico zoals beoordeeld in het reclasseringsrapport.