Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 maart 2017 in de zaak tussen
[eisers] , allen te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden, verweerder
Procesverloop
Eisers hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op dit definitieve verslag te reageren.
Overwegingen
- onvoldoende is gemotiveerd dat de door eisers gestelde schade volledig anderszins is verzekerd omdat eisers voor hun schade een beroep kunnen doen op een schaderegeling op grond van de Waterwet (overweging 14);
- onvoldoende is gemotiveerd waarom de planologische aanwijzing van de landbouwgronden als waterbergingsgebied als zodanig niet leidt tot schade. Daarbij is er op gewezen dat het betoog dat de kans op inundatie van de landbouwgronden feitelijk niet toeneemt, niet is gebaseerd op een inzichtelijke vergelijking van de situatie voor en na de aanwijzing. Bij de vergelijking moet ook worden betrokken dat de aanwijzing het mogelijk maakt dat de waterbeheerder actief stuurt op de inundatie van het gebied om een te hoge waterstand in andere gebieden te voorkomen (overweging 25);
- onvoldoende is gemotiveerd dat het normaal maatschappelijk risico op 100% kan worden gesteld (overweging 33);
- verweerder dient in te gaan op het betoog van [eiser 2] (zaaknummer UTR 14/4676) dat ook de kuilvoederplaats, die deel uitmaakt van zijn bouwperceel, is gelegen in het gebied met de dubbelbestemming ‘Tijdelijke waterberging’ (overweging 35).
Leidt de planologische aanwijzing als waterbergingsgebied tot nadeel?
De omvang van het normaal maatschappelijk risico
Zaaknummer UTR 14/1676 inzake [eiser 2]
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 18 december 2012;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eisers tegen de besluiten van 18 december 2012, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.970,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan de respectievelijke eisers te vergoeden.