ECLI:NL:RBMNE:2017:1551

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2017
Publicatiedatum
30 maart 2017
Zaaknummer
C/16/431338 / KG ZA 17-41 Herstel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Rvartikel 89a lid 1 sub b Reglement KNVB
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelvonnis schorsing tuchtuitspraken KNVB wegens procedurele fouten

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 17 maart 2017 een herstelvonnis gewezen ter correctie van een kennelijke fout in het eerdere vonnis van 24 februari 2017. De fout betrof een passage in paragraaf 4.25 die niet in overeenstemming was met het dictum van het vonnis en de overige overwegingen.

De kern van het herstel betrof het schrappen van een zin die onduidelijkheid kon scheppen over de schorsing van de uitspraken van de tuchtcommissie en de Commissie van Beroep (CvB) van de KNVB met betrekking tot een speler. De voorzieningenrechter bevestigde dat de schorsing blijft gelden totdat in de bodemprocedure is beslist over de vernietiging van de tuchtuitspraken.

Partijen, waaronder de KNVB en eiseres, hadden geen inhoudelijke bezwaren tegen de verbetering. De KNVB had een herzieningsverzoek ingediend bij de CvB, maar het vonnis van 24 februari 2017 bevatte hierover geen oordeel. Het herstelvonnis verduidelijkt de situatie en voorkomt mogelijke misverstanden over de reglementaire bevoegdheden van de KNVB.

Het vonnis werd ambtshalve verbeterd op grond van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en op 17 maart 2017 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter M.J. Slootweg.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verbeterde ambtshalve het vonnis en schorste de tuchtuitspraken van de KNVB.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/431338 / KG ZA 17-41
Herstelvonnis van 17 maart 2017
in de zaak van
1. de vereniging
[eiseres sub 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. C.I.M. Molenaar te Volendam,
tegen
de vereniging
KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,
gevestigd en kantoorhoudende te Zeist,
gedaagde,
advocaat mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] c.s. en de KNVB genoemd worden.

1.Het voornemen tot ambtshalve verbetering en de overwegingen

1.1.
Bij brief van 6 maart 2017 heeft voorzieningenrechter partijen het volgende meegedeeld:
“Op 24 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een vonnis gewezen in bovengenoemde procedure. Na het uitspreken van dit vonnis is de voorzieningenrechter gebleken dat in de laatste zin van paragraaf 4.25 sprake is van een kennelijke fout. Dit betreft de volgende overweging:
“De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de uitspraken van de CvB en de tuchtcommissie ten aanzien van [eiser sub 2] te schorsen totdat de CvB, na het horen van [A] , [B] , [C] en [D] , ten aanzien van [eiser sub 2] opnieuw uitspraak heeft gedaan. De vordering ten aanzien van [eiser sub 2] zal in die zin worden toegewezen.”
Deze overweging is overduidelijk in strijd met de paragrafen 4.29., 5.1. en 5.2. van het vonnis, waarin - kort samengevat - is bepaald dat de uitspraken van de tuchtcommissie en de Commissie van Beroep worden geschorst en de KNVB wordt bevolen om [eiser sub 2] als voetbalspeler toe te laten en toegelaten te houden totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg is beslist over de gevorderde vernietiging van de beide uitspraken en dat deze voorziening vervalt indien [eiser sub 2] niet uiterlijk op 14 april 2017 de dagvaarding in de bodemprocedure heeft uitgebracht.
De voorzieningenrechter is voornemens deze kennelijke fout in het vonnis van 24 februari 2017 met toepassing van artikel 31 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ambtshalve te verbeteren door de hierboven geciteerde laatste zin van paragraaf 4.25 te schrappen. U wordt hierbij in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. (…)”
1.2.
De KNVB heeft bij brief van 9 maart 2017 aan de voorzieningenrechter bericht dat zij geen behoefte heeft om naar aanleiding van de voorgenomen verbetering van het vonnis nader te reageren.
1.3.
Bij brief van 13 maart 2017 heeft de KNVB wel inhoudelijk op het voornemen gereageerd. Zij schrijft in deze brief onder meer het volgende:
“Voor de KNVB is duidelijk dat de kern van uw beslissing is vastgelegd in het dictum sub 5.1. Daaraan doet de in uw brief van 6 maart jl. geciteerde passage in paragraaf 4.25 niets aan af en kan mogelijk tot een niet bedoelde verwarring leiden, althans lijkt de betreffende passage niet geheel congruent met het dictum sub 5.1.
Door uitvoering te geven aan uw voornemen om de betreffende passage van paragraaf 4.25 te schrappen, kan de indruk worden gewekt dat daarmee ook impliciet wordt aangegeven dat het de KNVB niet vrij zou staan om gebruik te maken van haar reglementaire bevoegdheid (artikel 89a lid 1 sub b) om te verzoeken de tuchtrechtelijke uitspraak te herzien op grond van feiten en omstandigheden die aantonen dat, in dit geval de Commissie van Beroep, ernstige procedurefouten heeft gemaakt. De KNVB heeft inmiddels een herzieningsverzoek bij de Commissie van Beroep ingediend en mr. Molenaar lijkt te betogen dat herziening niet mogelijk is vanwege uw voornemen om het vonnis ambtshalve te verbeteren. Naar mijn oordeel is dat niet het rechtsgevolg dat u met de ambtshalve verbetering wenst te doen intreden. Volgens mij kan worden volstaan met het schrappen van de passage
“totdat de CvB, na het horen van [A] , [B] , [C] en [D] , ten aanzien van [eiser sub 2] opnieuw uitspraak heeft gedaan”.
1.4.
[eiseres sub 1] c.s. heeft bij brief van 13 maart 2017 aan de voorzieningenrechter bericht dat zij zich aansluit bij de brief van de KNVB van 9 maart 2017 en dat zij evenmin behoefte heeft om te reageren op het voornemen om het vonnis van 24 februari jl. te verbeteren. [eiseres sub 1] c.s. verzoekt de voorzieningenrechter de brief van de KNVB van 13 maart 2017 te negeren nu de KNVB vast een voorschot wenst te nemen op de uitkomst van een nieuwe kortgedingprocedure.
1.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen geen inhoudelijke bezwaren hebben tegen de voorgenomen verbetering van het vonnis. Met betrekking tot de discussie tussen partijen over de toelaatbaarheid van het door de KNVB ingediende herzieningsverzoek bij de Commissie van Beroep, merkt de voorzieningenrechter op dat het vonnis van 24 februari 2017 hierover geen oordeel inhoudt. De voorzieningenrechter zal het vonnis daarom verbeteren conform haar voornemen, met dien verstande dat de zinsnede
“De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de uitspraken van de CvB en de tuchtcommissie ten aanzien van [eiser sub 2] te schorsen”wel zal worden gehandhaafd omdat deze geen kennelijke misslag bevat.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter
2.1.
bepaalt dat in paragraaf 4.25. van het op 24 februari 2017 tussen [eiseres sub 1] c.s. en de KNVB gewezen vonnis de volgende passage wordt geschrapt:
“totdat de CvB, na het horen van [A] , [B] , [C] en [D] , ten aanzien van [eiser sub 2] opnieuw uitspraak heeft gedaan. De vordering ten aanzien van [eiser sub 2] zal in die zin worden toegewezen.”;
2.2.
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 17 maart 2017 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 24 februari 2017.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017. [1]

Voetnoten

1.type: MS (4185)