Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- Mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat van verzoekster,
- De heer [A] , bestuurder van verweerster.
Rechtbank Midden-Nederland
De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, heeft een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen een besloten vennootschap gevestigd te Utrecht. Het verzoek betrof een opeisbare vordering van € 34.160,89, bestaande uit een boete en twee dwangsommen opgelegd op 25 februari 2016, en een vermeende steunvordering van de Belastingdienst.
Tijdens de zitting op 28 maart 2017, gehouden achter gesloten deuren, heeft de rechtbank de stukken en de toelichting van partijen beoordeeld. Verweerster voerde aan dat de opgelegde boete en dwangsommen niet in verhouding staan tot de grondslag, namelijk onvoldoende uitbetaalde vakantiebijslag, en dat deze kwestie speelde voordat de huidige bestuurder aantrad. Tevens betwistte verweerster de steunvordering van de Belastingdienst.
De rechtbank concludeerde dat slechts summierlijk is gebleken dat verzoekster een vordering heeft en dat verweerster niet in staat is deze te voldoen. De steunvordering van de Belastingdienst werd niet voldoende gespecificeerd of onderbouwd, waardoor onvoldoende vaststaat dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot faillietverklaring afgewezen.
De beschikking werd uitgesproken door mr. P.A.M. Penders op 28 maart 2017. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld door degene die daartoe bevoegd is, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na dagtekening van de uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de steunvordering en het ontbreken van pluraliteit van schuldeisers.