Eiseressen exploiteren windturbineparken op de Maasvlakte en ontvingen ontheffing van verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet voor het doden en verstoren van beschermde vogelsoorten en amfibieën. Tegen de aan de ontheffing verbonden voorschriften, waaronder een stilstandvoorziening en monitoringsverplichtingen, werd beroep ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd was om voorschrift 8 (stilstandvoorziening) te verbinden aan de ontheffing, ondanks bezwaren over productieverlies en onduidelijkheid. Voorschrift 9 werd als voldoende concreet beoordeeld. Voorschrift 10, dat een monitoringsplicht voor de lepelaar en visdief bevatte, werd deels vernietigd: de monitoringsplicht voor de lepelaar ontbeerde grondslag, en de monitoringsplicht voor de visdief tijdens de trekperiode was onterecht. Tevens ontbrak een redelijke termijn voor de monitoringsperiode.
De rechtbank stelde zelf een aangepast voorschrift 10 vast, waarin de visdief gedurende de broedperiode vijf jaar gemonitord moet worden. Voorschrift 11 (mitigatieplan) werd niet als rechtsonzeker beoordeeld. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.