ECLI:NL:RBMNE:2016:941

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 maart 2016
Publicatiedatum
23 februari 2016
Zaaknummer
C/16/401588 / HA ZA 15-814
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 lid 2 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voeging wegens onredelijke vertraging en gedeeltelijke toewijzing voeging tussen gelijklopende zaken

In deze bodemzaak behandelde de rechtbank Midden-Nederland op 2 maart 2016 incidenten betreffende verzoeken tot voeging van meerdere civiele procedures tegen de vennootschap AGEAS SA/NV.

AGEAS verzocht om voeging van zaken die zich in een vergevorderd stadium bevinden met andere zaken die nog in een eerder stadium zijn. De rechtbank oordeelde dat voeging met de vergevorderde zaken zou leiden tot onredelijke vertraging, mede omdat AGEAS nog geen conclusie van antwoord had genomen in de latere zaken en het pleidooi voor de vergevorderde zaken reeds gepland stond.

Daarentegen werd voeging tussen de zaken die zich in een vergelijkbaar stadium bevinden wel toegewezen, omdat dit het risico op tegenstrijdige uitspraken beperkt en geen onredelijke vertraging veroorzaakt.

Verder wees de rechtbank het verzoek van AGEAS af om tussentijds hoger beroep toe te staan, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden.

Ten slotte werden proceskostenveroordelingen uitgesproken waarbij AGEAS in de meeste incidenten als in het ongelijk gestelde partij werd veroordeeld. De rechtbank bepaalde tevens een termijn voor het nemen van conclusies van antwoord en stelde de zaken weer op de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: Voeging met vergevorderde zaken wordt afgewezen wegens onredelijke vertraging, maar voeging tussen gelijklopende zaken wordt toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
Vonnis in incidenten van 2 maart 2016
in de zaak met zaaknummer/rolnummer: C/16/401588/HA ZA 15-814 van

1.[eiser A sub 1 in de hoofdzaak/verweerder A sub 1 in het incident] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[eiser A sub 2 in de hoofdzaak/verweerster A sub 2 in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
eisers in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
AGEAS SA/NV,
voorheen handelende onder de naam Fortis N.V.,
statutair gevestigd te Brussel (België), mede kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat prof. mr. H.J. de Kluiver te Amsterdam,
en
in de zaak met zaaknummer/rolnummer: C/16/403350/HA ZA 15-870 van
[eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
AGEAS SA/NV,
voorheen handelende onder de naam Fortis N.V.,
statutair gevestigd te Brussel (België), mede kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat prof. mr. H.J. de Kluiver te Amsterdam,
in de zaak met zaaknummer/rolnummer: C/16/407840/HA ZA 16-45 van
[eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
AGEAS SA/NV,
voorheen handelende onder de naam Fortis N.V.,
statutair gevestigd te Brussel (België), mede kantoorhoudende te Utrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat prof. mr. H.J. de Kluiver te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] , [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] , [eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident] en Ageas genoemd worden.

1.De procedures

1.1.
Het verloop van de procedures blijkt uit:
  • de dagvaardingen
  • de incidentele conclusies tot voeging
  • de incidentele conclusies van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2.De beoordeling van de incidentele vorderingen

Voeging met de zaken [A] , [B] en [C]

2.1.
Ageas vordert in de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] dat deze hoofdzaken worden gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaken met zaaknummers/ rolnummers 374632/HA ZA 14-645, 390393/HA ZA 15-350 en 390397/HA ZA 15-351 (hierna te noemen: de zaken [A] , [B] en [C] ).
[eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vorderingen tot voeging met de zaken [A] , [B] en [C] moeten worden afgewezen. De onderhavige procedures zijn weliswaar verknocht aan die zaken, maar deze laatste zaken bevinden zich in een zodanig vergevorderd stadium (er is een datum voor pleidooi bepaald op 31 maart 2016), dat voeging van de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] met de zaken [A] , [B] en [C] tot een onredelijke vertraging in laatstgenoemde zaken zou leiden.
2.3.
In de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] is door Ageas nog geen conclusie van antwoord genomen, zodat daartoe alsnog na dit vonnis de gelegenheid moet worden gegeven tegen een termijn van 6 weken, derhalve tot 13 april 2016. Voeging zal derhalve tot gevolg hebben dat het pleidooi op 31 maart 2016 geen doorgang zal kunnen vinden en een nieuwe datum voor pleidooi zal moeten worden bepaald.
Dat geldt ook indien de conclusies van antwoord nog vóór 31 maart 2016 zouden worden genomen, aangezien de rolrechter vervolgens nog een beslissing zal moeten nemen over het gelasten van een comparitie van partijen dan wel het verwijzen van de zaak naar de rol voor het nemen van een conclusie van re- en dupliek. Ageas gaat er in haar incidentele conclusie vanuit dat de rolrechter zonder meer tot het bepalen van een comparitie zal overgaan, maar dat is maar de vraag. Die beslissing zal mede afhangen van de inhoud van de conclusie van antwoord, en het antwoord op de vraag of daarop in de dagvaarding al voldoende is gerespondeerd.
Indien naar re- en dupliek wordt verwezen, zal in de zaken die nu voor pleidooi staan, een vertraging optreden van tenminste 16 weken en vermoedelijk meer dan 24 weken. De rechtbank acht dat onredelijk, gelet op:
- de reeds lange duur van de zaken [A] , [B] en Ageas (die zijn gestart in augustus/september 2014), en
- de omstandigheid dat Ageas er ook voor had kunnen kiezen om in de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] tegelijk met de incidentele conclusies een conclusie van antwoord in de hoofdzaken te nemen, waardoor de beslissing op de kwestie wel of geen comparitie reeds in dit vonnis genomen had kunnen worden.
Aan het belang van het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen kan onder deze omstandigheden beter tegemoet gekomen worden door de beslissingen die in de zaken [A] , [B] en [C] worden genomen, over te leggen in de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] .
2.4.
Het voorgaande laat overigens onverlet dat - indien Ageas nog ruim vóór 31 maart 2016 haar conclusie van antwoord in de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] neemt - de rolrechter alsnog kan besluiten om in die zaken een comparitie van partijen te houden op dezelfde datum als de pleidooien in de zaken [A] , [B] en [C] , in het geval dat dat gelet op de verhinderdata van de partijen in de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] en de benodigde zittingstijd tot de mogelijkheden behoort.
Voeging zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] , [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] en [eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident]
2.5.
In het incident in de zaak [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] heeft Ageas (subsidiair) voeging gevorderd met de zaak [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] , en in de zaak [eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident] voeging met de zaken [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] en [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] . Die vorderingen acht de rechtbank wel toewijsbaar, omdat die zaken met elkaar verknocht zijn, zodat er een risico bestaat op tegenstrijdige uitspraken, en die zaken zich in vrijwel hetzelfde stadium bevinden, zodat voeging van die zaken niet leidt tot een onredelijke vertraging.
Openstellen tussentijds hoger beroep
2.6.
Ageas heeft in alle zaken verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen van de beslissingen die op de incidentele vorderingen worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich echter, rekening houdende met de wederzijdse belangen van partijen en het wettelijke uitgangspunt van artikel 337 lid 2 Rv Pro, geen bijzondere omstandigheden voor die openstelling van tussentijds hoger beroep rechtvaardigen. De rechtbank wijst het verzoek derhalve af.
Proceskosten
2.7.
Ageas zal als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de incidenten in de zaken [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] en [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] worden veroordeeld. In de zaak [eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident] is Ageas in het gelijk gesteld, zodat in die zaak [eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident] in de proceskosten in het incident zal worden veroordeeld.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident in de zaak [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident]
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt Ageas in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers A in de hoofdzaak/verweerders A in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in het incident in de zaak [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident]
3.4.
voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer / rolnummer 401588/HA ZA 15-814,
3.5.
veroordeelt Ageas in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser B in de hoofdzaak/verweerder B in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,
3.6.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in het incident in de zaak [eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident]
3.7.
voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaken met zaaknum-mers / rolnummers 401588/HA ZA 15-814 en C/16/403350/HA ZA 15-870,
3.8.
veroordeelt [eiser C in de hoofdzaak/verweerder C in het incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van Ageas tot op heden begroot op € 452,00, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van voldoening,
3.9.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak in alle zaken
3.10.
bepaalt dat de zaken weer op de rol zullen komen van
13 april 2016voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, bijgestaan door mr. W.A. Visser, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2016. [1]

Voetnoten

1.type: WV/4208