Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
beslissing van de rechtbank van 22 november 2016
[verdachte],
- mr. M.A. Hoogendam, officier van justitie;
- mr. I. Raterman, advocaat te Amsterdam,
- [verdachte] voornoemd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 22 november 2016 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne en heroïne. Het onderzoek vond plaats op 25 oktober 2016, waarbij verdachte is gehoord. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van bijna €20.000, later bijgesteld naar €1.680, terwijl de rechtbank een bedrag van €16.080 op de vordering noteerde.
De verdediging betwistte de vordering op basis van onbetrouwbare getuigenverklaringen en stelde dat het bedrag gematigd moest worden op basis van de verklaring van verdachte dat hij €700 tot €800 per maand verdiende met de drugshandel. De rechtbank achtte de handel in drugs bewezen en baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de verklaring van verdachte, zonder kosten in mindering te brengen.
Gezien de handelsperiode van ruim 22 maanden en de verklaring van verdachte, stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €15.400. De rechtbank zag geen aanleiding tot matiging van het bedrag op grond van de financiële situatie van verdachte en legde hem de verplichting op dit bedrag aan de Staat te voldoen. De overige vorderingen van de officier van justitie werden afgewezen.
Uitkomst: Verdachte is verplicht €15.400 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.