Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het proces-verbaal van de zitting van 2 december 2015
- de e-mail van 15 december 2015 met de schriftelijke reactie van mr. R.B. Eigeman, mede namens mrs. P.J.M. Mol en J.W. Frieling.
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters die zijn zaak behandelen, omdat zij een verzoek tot aanhouding van de inhoudelijke behandeling en aanvullend DNA-onderzoek hadden afgewezen. Verzoeker stelde dat de rechters daardoor niet onpartijdig waren.
De wrakingskamer heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 512 Sv Pro en artikel 6 EVRM Pro, waarbij werd vastgesteld dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aantonen. De rechters hadden hun beslissing gemotiveerd en waren niet gebonden aan de eerdere beslissing van de rechter-commissaris.
De kamer oordeelde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor vooringenomenheid en dat de afwijzing van het verzoek om aanhouding niet automatisch wijst op partijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en de procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.