Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure.
- de vordering van € 11.878,77, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat zij het maximumbedrag thans stelt op € 6.292,91.
- het vonnis en het strafdossier onder parketnummer 16/659654-15, waaruit blijkt dat veroordeelde op 20 december 2016 door de meervoudige kamer in deze rechtbank is veroordeeld ter zake van de in dat vonnis onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit en tot de in die uitspraak vermelde straf;
- het rapport met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 20 oktober 2015 door [A] , agent van politie Midden-Nederland;
- het rapport met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 4 april 2016 door [B] , brigadier van politie Midden-Nederland;
- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
2.De beoordeling.
(de rechtbank merkt op dat hieruit € 2717,00 zou moeten volgen)
€ 627,00en voor het overige afwijzen.