De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte wegens vermeende hennepteelt en het voorhanden hebben van goederen bestemd voor het plegen van een hennepkwekerij. De tenlastelegging betrof twee feiten: het telen van hennepplanten in een woning en kas in Houten, en het bezit van goederen in Culemborg die bedoeld waren voor het opzetten van een hennepkwekerij.
De rechtbank oordeelde dat het tweede feit niet strafbaar was ten tijde van het plegen, omdat artikel 11a van de Opiumwet, dat bepaalde voorbereidingshandelingen strafbaar stelt, pas op 1 maart 2015 in werking trad, terwijl het feit plaatsvond tussen 26 september en 4 oktober 2014. Hierdoor verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van dit feit.
Ten aanzien van het eerste feit stelde de verdediging dat er geen wettig en overtuigend bewijs was voor betrokkenheid van verdachte bij de hennepplantages. De rechtbank concludeerde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte om schuld vast te stellen. Er waren verklaringen van medeverdachten en getuigen die geen directe link met verdachte konden bevestigen, en het financieel onderzoek leverde geen aanwijzingen op.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het eerste feit wegens gebrek aan bewijs. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer op 21 december 2016, waarbij één van de rechters niet in de gelegenheid was het vonnis mede te ondertekenen.