Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
kantonrechter
[verzoekster],
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde mr. J.H. Plantenga,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
gemachtigde mr. P.P. Klokkers.
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met 14 producties van [verzoekster] , ter griffie ingekomen op 19 september 2016;
- het verweerschrift van [verweerder] van 21 oktober 2016;
- de aanvulling / wijziging van het verzoek van [verzoekster] van 14 november 2016 met productie 15
- het verweerschrift tevens voorwaardelijk tegenverzoek met 5 producties van [verweerder] , ter griffie ingekomen op 15 november 2016
- de fax van 17 november 2016 met aanvullende producties 15 tot en met 18 van [verzoekster] .
2.De feiten
Je werkt de-escalerend
Je komt afspraken na
Je houdt je aan de Kwintesgedragscode
[…]
3.Het verzoek
4.Het verweer
5.De beoordeling
[naam]) en 5 september 1997 (ECLI:N::HR:1997:ZC2417:
/ De Hollandsche IJssel) heeft uitgelaten over de mogelijkheid van een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding. In het arrest van 21 oktober 1983 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, nu het geruime tijd kan duren voordat over het gegeven ontslag op staande voet bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak zekerheid is verkregen, er vanuit mag worden gegaan dat de werkgever er in zijn algemeenheid een gerechtvaardigd belang bij heeft om in zodanig geval voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vragen, namelijk voor het geval de arbeidsovereenkomst niet blijkt te zijn geëindigd door het aan de werknemer op staande voet gegeven ontslag. In het arrest van 5 september 1997 is een en ander bevestigd.