ECLI:NL:RBMNE:2016:5337

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 september 2016
Publicatiedatum
5 oktober 2016
Zaaknummer
C/16/423173 / FA RK 16-5960
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortzetting inbewaringstelling wegens onvoldoende acuut dreigend gevaar

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 15 september 2016 het verzoek van de officier van justitie tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene. De zaak betrof een beoordeling of er een ernstig vermoeden bestond dat een stoornis van de geestesvermogens bij betrokkene onmiddellijk dreigend gevaar veroorzaakte.

De rechtbank nam kennis van diverse stukken, waaronder de beschikking van de burgemeester en een geneeskundige verklaring op grond van artikel 21 BOPZ Pro. Tijdens de zitting werden betrokkene, zijn raadsman, een afdelingsarts en een arts-assistent gehoord. De raadsman betoogde dat niet voldaan was aan de wettelijke criteria omdat er geen onmiddellijk dreigend gevaar was. De afdelingsarts stelde dat er mogelijk sprake was van suïcidaliteit en een psychiatrische stoornis, maar dat het acuut gevaar niet kon worden uitgesloten.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat betrokkene nog suïcidaal was. Eerdere suïcidale uitlatingen waren onvoldoende onderbouwd om een acuut dreigend gevaar te rechtvaardigen. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling afgewezen. De beslissing werd uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onmiddellijk dreigend gevaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht

zaak/rekestnr.: C/16/423173 / FA RK 16-5960

Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling

Beschikking van 15 september 2016

op het verzoek van de officier van justitie van 14 september 2016 tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van:

[betrokkene] ,

geboren op [1983] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
verblijvende in [instelling] locatie [locatie] , te [vestigingsplaats] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder afschriften van de beschikking van de burgemeester van de gemeente [gemeente] van 13 september 2016 en van de geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).
De rechtbank heeft gehoord:
- de betrokkene;
- mr. B. van Nimwegen, raadsman van betrokkene;
- mevrouw [A] , afdelingsarts;
- mevrouw [B] , arts-assistent.
Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.
De raadsman van betrokkene heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, omdat niet is voldaan aan de wettelijke criteria tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling nu er geen onmiddellijk dreigend gevaar aanwezig is.
De afdelingsarts heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek. Zij geeft hierbij aan dat er sprake is van een lastige situatie waarbij het moeilijk is om goed contact te krijgen met betrokkene om hieruit te kunnen beoordelen of er nog sprake is van suïcidaliteit. Mogelijkerwijs is een psychiatrische stoornis aanwezig. Er is het vermoeden van suïcidaliteit en dit kan komen door een onderliggende psychiatrische stoornis. Het is onzeker of er nog sprake is van onmiddellijk dreigend gevaar voor betrokkene, maar een acuut gevaar op suïcide kan ook niet worden uitgesloten. Betrokkene heeft die ochtend gezegd dat hij geen plannen had maar wel GHB zou kunnen nemen. Betrokkene heeft eerder niet open gestaan voor ambulante behandeling en dat maakt het maakt om een vinger aan de pols te houden. Een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is volgens de afdelingsarts noodzakelijk om betrokkene verder te kunnen behandelen.
Voor het toewijzen van het verzoek om machtiging van de voortzetting van de inbewaringstelling is noodzakelijk dat er een ernstig vermoeden is dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat dit gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat een voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht. Voor het afwenden van het gevaar moet opname noodzakelijk zijn.
De rechtbank zal het verzoek afwijzen, nu zij op grond van de verkregen informatie niet tot de overtuiging is gekomen dat het ernstige vermoeden bestaat dat een stoornis van de geestvermogens de betrokkene onmiddellijk dreigend gevaar doet veroorzaken. Daarvoor is redengevend dat met name onvoldoende is komen vast te staan dat betrokkene nog suïcidaal is. Daarbij is van belang dat suïcidaliteit na de opname niet meer lijkt te zijn gebleken, Ook uit de onderliggende problematiek zou wellicht kunnen worden afgeleid dat eerdere suïcidale uitlatingen ook nu nog serieus moeten worden genomen. Om daarop een acuut dreigend gevaar te kunnen baseren is echter onvoldoende onderbouwing gegeven.

De rechtbank wijst het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, rechter, in bijzijn van D. van Wijk als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2016.