ECLI:NL:RBMNE:2016:5337
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voortzetting inbewaringstelling wegens onvoldoende acuut dreigend gevaar
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 15 september 2016 het verzoek van de officier van justitie tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene. De zaak betrof een beoordeling of er een ernstig vermoeden bestond dat een stoornis van de geestesvermogens bij betrokkene onmiddellijk dreigend gevaar veroorzaakte.
De rechtbank nam kennis van diverse stukken, waaronder de beschikking van de burgemeester en een geneeskundige verklaring op grond van artikel 21 BOPZ Pro. Tijdens de zitting werden betrokkene, zijn raadsman, een afdelingsarts en een arts-assistent gehoord. De raadsman betoogde dat niet voldaan was aan de wettelijke criteria omdat er geen onmiddellijk dreigend gevaar was. De afdelingsarts stelde dat er mogelijk sprake was van suïcidaliteit en een psychiatrische stoornis, maar dat het acuut gevaar niet kon worden uitgesloten.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was komen vast te staan dat betrokkene nog suïcidaal was. Eerdere suïcidale uitlatingen waren onvoldoende onderbouwd om een acuut dreigend gevaar te rechtvaardigen. Gezien deze omstandigheden werd het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling afgewezen. De beslissing werd uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onmiddellijk dreigend gevaar.