Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[veroordeelde] ,geboren op [1987] te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen de veroordeelde.
Rechtbank Midden-Nederland
De veroordeelde was door de rechtbank veroordeeld tot een werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis. Uit een rapport van de reclassering bleek dat de veroordeelde slechts 150 uur van de werkstraf naar behoren had verricht en de resterende 50 uur niet had voltooid. De officier van justitie besloot daarop tot omzetting van de resterende werkstraf in 25 dagen vervangende hechtenis, waarvan de kennisgeving aan de veroordeelde op 6 april 2016 werd betekend.
De veroordeelde diende tijdig een bezwaarschrift in tegen deze omzetting. Tijdens de zitting op 3 juni 2016 verscheen alleen de officier van justitie; de raadsman liet weten dat de veroordeelde de vervangende hechtenis inmiddels had ondergaan. De rechtbank overwoog dat de veroordeelde meerdere kansen had gehad om de werkstraf te voltooien, maar deze niet had benut en zelfs na een officiële waarschuwing ongemotiveerd bleef.
Gelet op deze feiten en het reclasseringsrapport oordeelde de rechtbank dat de veroordeelde de taakstraf zonder gerechtvaardigde reden niet naar behoren had verricht. De omzetting van de resterende werkstraf in vervangende hechtenis was daarom terecht. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift ongegrond en benadrukte dat het toekennen van een schorsende werking aan het bezwaarschrift een bevoegdheid is van het Openbaar Ministerie en niet van de rechtbank.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de omzetting van de werkstraf in vervangende hechtenis wordt ongegrond verklaard.