ECLI:NL:RBMNE:2016:4355
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontucht met minderjarige in Soest
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 22 juli 2016 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontucht met een minderjarige in de periode van februari tot maart 2014 te Soest. De officier van justitie achtte het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op basis van getuigenverklaringen en de eigen verklaring van verdachte. De verdediging betoogde dat de verklaringen van getuigen grotendeels waren gebaseerd op elkaar en op de verklaring van verdachte, en dat er geen onafhankelijk bewijs was.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van getuigen onvoldoende betrouwbaar waren omdat deze vaak indirect waren en terug te voeren op de verklaring van verdachte zelf, die bovendien een verstandelijke beperking heeft en moeizaam spreekt. De verklaringen van de moeder van het vermeende slachtoffer werden als onbruikbaar beoordeeld vanwege inconsistenties. Omdat het bewijs uitsluitend steunde op de eigen verklaringen van verdachte, werd niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.
Hierdoor sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten. Tevens wees de rechtbank een verzoek tot aanhouding van het vonnis af dat was ingediend ter onderbouwing van een mogelijk schadevergoedingsverzoek. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer onder leiding van voorzitter E. Akkermans.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs voor ontucht met minderjarige.