ECLI:NL:RBMNE:2016:4279
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.E.A. van Kalveen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bevel observatie verdachte in Pieter Baan Centrum wegens beperkte ernst verdenkingen
In deze strafzaak heeft de rechter-commissaris het verzoek van de officier van justitie tot overbrenging van de verdachte naar het Pieter Baan Centrum (PBC) voor observatie afgewezen. De verdachte, die niet wenste mee te werken aan psychiatrisch en psychologisch onderzoek, wordt verdacht van feiten met een relatief beperkte ernst.
Uit het dossier blijkt dat er ernstige vermoedens zijn van psychiatrische en neurologische problemen bij de verdachte, die een gevaar voor zichzelf en zijn omgeving vormen. De wachttijd voor plaatsing in het PBC bedraagt 10 weken, met een observatieperiode van nog eens 14 weken, wat resulteert in een totaal van 24 weken. Gezien de beperkte ernst van de verdenkingen zal na deze periode waarschijnlijk geen of slechts een zeer beperkt voorwaardelijk strafdeel overblijven.
De rechter-commissaris concludeert dat de noodzakelijke behandeling niet via het strafrecht kan worden gerealiseerd, mede omdat de verdachte niet bereid of in staat is ambulante behandeling te volgen. De officier van justitie wordt geadviseerd te onderzoeken of een maatregel op grond van de BOPZ passend is, met mogelijke plaatsing in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau, zoals de Van der Hoeven Kliniek KIB.
De beslissing is genomen op basis van de artikelen 196, 197 en 198 van het Wetboek van Strafvordering. De vordering tot observatie in het PBC wordt afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot observatie in het Pieter Baan Centrum wordt afgewezen wegens beperkte ernst van de verdenkingen en onhaalbaarheid van strafrechtelijke behandeling.