Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Bij brief van 2 november 2015 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om handhavend op te treden. Eiser heeft daartegen een zienswijze ingediend. Dit heeft geleid tot de onder procesverloop genoemde besluitvorming.
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ligplaatsenverordening is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen in [naam] .
Tussen partijen is niet in geschil en ook de voorzieningenrechter stelt vast dat het (permanent) innemen van een ligplaats in ieder geval in strijd is met de bestemmingsomschrijving in artikel 17.1 van de planregels uit het bestemmingsplan en met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ligplaatsenverordening.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1915) volgt dat dit verbod derhalve bij wet is voorzien en kan worden aangemerkt als noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land en de rechten en vrijheden van anderen.
Voor wat betreft de door hem gemaakte uitzondering heeft verweerder toegelicht dat het, anders dan bij eiser, gaat om een situatie die meer dan 20 jaar bestaat en valt onder het in 2012 opgestelde plan van aanpak.
Beslissing
van de uitspraak van de voorzieningenrechter;