ECLI:NL:RBMNE:2016:381

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2016
Publicatiedatum
27 januari 2016
Zaaknummer
16.659177-14 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling oplichting en gijzeling bij Urker visgroothandel

In januari 2016 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak rondom een oplichting en gijzeling bij een Urker visgroothandel. Twee mannen werden veroordeeld voor het onder valse naam afnemen van een lading vis, waarbij zij werkstraffen kregen opgelegd van 100 en 200 uur, deels voorwaardelijk. Een derde verdachte, die mogelijk betrokken was, was inmiddels overleden en de vervolging tegen hem werd niet ontvankelijk verklaard.

De eigenaar van de visgroothandel werd veroordeeld voor wederrechtelijke vrijheidsberoving (gijzeling) van een van de verdachten. Hij had de verdachte vastgehouden om betaling of teruggave van de vis te bewerkstelligen. Daarnaast werd hij veroordeeld voor het bezit van een ploertendoder en kreeg een geldboete van €10.000 opgelegd.

Een medewerker van de visgroothandel werd vrijgesproken omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij deelnam aan de gijzeling. De rechtbank oordeelde dat er geen overtuigend bewijs was dat hij opzettelijk betrokken was bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, de officier van justitie ontvankelijk, en dat er geen reden was voor schorsing van de vervolging. De zaak werd behandeld door een meervoudige kamer in Lelystad en het vonnis werd op 27 januari 2016 uitgesproken.

Uitkomst: Twee mannen veroordeeld voor oplichting, eigenaar veroordeeld voor gijzeling en wapenbezit, medewerker vrijgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Lelystad
Parketnummer: 16.659177-14 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 januari 2016
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1967] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] .

1.HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting dat laatstelijk heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M.A.W. van Erven, advocaat te Lelystad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.
F. Rethmeijer en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2.DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 november 2013 te Almere en/of op Urk, in elk geval in
Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid
heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te
weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , te dwingen iets te doen of niet te doen,
immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen:
- tegen die [slachtoffer] gezegd: "Ik wil mijn handel terug of we gooien je de
koelcel in" en/of "ik sla je in elkaar", althans woorden van gelijke aard
en/of strekking, en/of
- naar die [medeverdachte 2] gebeld en/of tegen die [medeverdachte 2] gezegd "ik heb je zwager hier
en we willen dit zakelijk oplossen zonder bijkomst van de politie. Anders
heeft meneer hier een probleem", althans woorden van gelijke aard en/of
strekking en/of
- naar die [medeverdachte 1] gebeld en/of tegen die [medeverdachte 1] gezegd "je moet 20.000,00 euro
brengen anders vermoorden wij die [slachtoffer] " althans woorden van gelijke aard
en/of strekking, en/of
- de pinpas en/of telefoon van die [slachtoffer] gepakt en/of
- de handen van die [slachtoffer] achter diens rug met tyraps vastgebonden en/of

(vervolgens)

- die [slachtoffer] in de auto meegenomen naar de kantine van [bedrijf]

op Urk en/of die [slachtoffer] opdragen in de auto zijn hoofd naar beneden te

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de verklaring van [slachtoffer] , de uitgewerkte telefoongesprekken tussen [slachtoffer] en
[A] , de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] en de verklaring van verdachte. Er is sprake van medeplegen, omdat verdachte wist dat [slachtoffer] in het bedrijf van [medeverdachte 3] werd vastgehouden, er naartoe is gegaan, met een bijl de kantine is binnengelopen en erbij aanwezig is geweest. Hiermee heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan de gijzeling. Dat verdachte er niet van het begin af aan bij betrokken was staat niet in de weg aan medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat hij, al dan niet met een ander, opzet had op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Verdachte wist niets van de voorgenomen gijzeling, heeft geen enkele rol gespeeld bij de voorbereiding en er zijn tussen hem en [medeverdachte 3] geen afspraken gemaakt over de rolverdeling. Er blijkt dus niet van een wezenlijke bijdrage van verdachte aan de gijzeling, zodat van medeplegen geen sprake is.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft verklaard dat er buiten het bedrijfspand van [medeverdachte 3] een bijl lag en dat hij deze mee naar binnen heeft genomen om te voorkomen dat [medeverdachte 1] – mocht deze verschijnen – de bijl op zou pakken en omdat hij niet wist welke situatie hij in de kantine aan zou treffen. Verdachte is met deze bijl de kantine binnengelopen. Verdachte heeft verklaard dat hij toen heeft gezegd: ‘is deze nog nodig’ en ‘waar zit ie’ en ‘wie moet ik een kopje kleiner maken’. Dit bedoelde hij als grap, omdat hij merkte dat de sfeer ontspannen was.
De rechtbank is van oordeel dat onder deze feiten en omstandigheden niet kan worden geconcludeerd dat verdachte opzet had op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

5.BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. F.G. van Arem en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Verstraaten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2016.