ECLI:NL:RBMNE:2016:3419

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 juni 2016
Publicatiedatum
24 juni 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 237
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en vergoeding proceskosten in bezwaar en beroep tegen besluit gemeente Utrecht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2016 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, waarbij hem een proceskostenvergoeding van €496,- in bezwaar was toegekend. Verweerder heeft vervolgens toegezegd de proceskosten in bezwaar te vergoeden met een hogere wegingsfactor en ook een vergoeding in beroep aan te bieden.

Tijdens de zitting en het vervolgonderzoek stemde eiser in met het aanvullen van het dossier en het achterwege laten van nadere behandeling. De rechtbank oordeelde dat verweerder tegemoet is gekomen aan het beroep voor de proceskosten in bezwaar en vernietigde het bestreden besluit voor zover het de omvang van deze vergoeding betrof.

De proceskostenvergoeding in bezwaar werd vastgesteld op €992,- (2 punten à €496,- met wegingsfactor 1). Voor de proceskosten in beroep stelde de rechtbank een vergoeding van €496,- vast (2 punten à €496,- met wegingsfactor 0,5), omdat het beroep gegrond werd verklaard vanwege de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar en niet vanwege een materiële beoordeling van het geschil.

De rechtbank veroordeelde verweerder tevens tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €168,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De proceskostenvergoeding in bezwaar wordt vastgesteld op €992,- en in beroep op €496,-, met vergoeding van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 16/237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Gemert),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ramdoelare Tewari).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 januari 2016 van verweerder (het
bestreden besluit) waarbij hem een vergoeding van € 496,- is toegekend voor proceskosten
in bezwaar.
Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 8 maart 2016 bericht dat hij alsnog de
proceskosten van bezwaar vergoedt met wegingsfactor 1 in plaats van 0,5 en dat hij bereid is
de proceskosten in beroep te vergoeden met een wegingsfactor 0,25 (zeer licht).
Eiser heeft de gronden van zijn beroep aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft bij beslissing van 13 april 2016 het onderzoek heropend. Eiser is daarbij verzocht of hij ermee kan instemmen dat de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder, die kort voor de zitting door de rechtbank zijn ontvangen, aan het dossier worden toegevoegd.
Eiser heeft bij brief van 17 april 2016 de gevraagde toestemming verleend.
Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere behandeling ter zitting achterwege te laten en de rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder is tegemoetgekomen aan het beroep van eiser voor wat betreft de omvang van de proceskosten in bezwaar. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de vaststelling van de omvang van de proceskosten betreft. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de proceskostenvergoeding in bezwaar voor eiser wordt vastgesteld op € 992,- (2 punten, met een waarde van € 496,- per punt en wegingsfactor 1).
2. In geschil is nog de omvang van de proceskosten in beroep.
3. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder in de proceskosten van eiser. De rechtbank heeft aanleiding gezien wegingsfactor "licht' (0,5) te hanteren bij het berekenen van de omvang van de vergoeding van de proceskosten in beroep. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat geen materiële beoordeling van het geschil heeft plaatsgevonden, maar dat de gegrondverklaring van het beroep uitsluitend voortkomt uit de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar, zodat voor de rechtbank geen aanleiding bestaat wegingsfactor "gemiddeld" (1) te hanteren. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting
,met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de omvang van de vergoeding van de proceskosten in bezwaar;
  • stelt de vergoeding van de proceskosten in bezwaar vast op € 992,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde (gedeelte van het) bestreden besluit;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van
€ 496,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.