ECLI:NL:RBMNE:2016:2588

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 april 2016
Publicatiedatum
11 mei 2016
Zaaknummer
C/16/412604 / FT RK 16/622
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening bij niet-nakoming minnelijke regeling door schuldeiser

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 14 april 2016 uitspraak gedaan in een verzoek tot voorlopige voorziening, ingediend door een verzoeker die in 2013 een minnelijke regeling had aangeboden aan zijn schuldeisers, waaronder Hoist Portfolio Ltd. De verzoeker had een verzoek ingediend om een schuldeiser te gebieden het beslag op zijn loon en/of uitkering op te schorten, omdat hij van mening was dat Hoist haar instemming met de regeling onterecht had ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling op 7 april 2016 was de verzoeker aanwezig, bijgestaan door een schuldhulpverlener, terwijl Hoist niet ter zitting verscheen maar schriftelijk verweer had ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker niet de bedoeling had om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te verzoeken, maar enkel nakoming van de minnelijke regeling met Hoist wilde vorderen.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet de juiste procedure was, aangezien het verzoeker niet de bedoeling was om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank concludeerde dat de verzoeker zich in dit geval tot de civiele rechter moest wenden om nakoming van de overeenkomst te vorderen, aangezien het hier een overeenkomst betrof waarop het gewone verbintenissenrecht van toepassing was. De rechtbank verklaarde de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek om voorlopige voorziening en ook in het verzoek om een dwangakkoord, omdat er slechts één schuldeiser was, namelijk Hoist. De beslissing werd openbaar uitgesproken door mr. D.M. Staal.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/412604 / FT RK 16/622
uitspraakdatum: 14 april 2016
beschikking op grond van artikel 287, vierde lid van de van de Faillissementswet
(verzoek voorlopige voorziening)
enkelvoudige kamer
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [1986] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: verzoeker,
is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het geven van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287, vierde lid van de Faillissementswet (Fw).

1.De procedure en het verzoek

De gevraagde voorziening houdt in een schuldeiser te gebieden het beslag op loon/ uitkering en/of goederen van verzoeker, voortvloeiend uit een uitspraak van de Rechtbank Utrecht, locatie Amersfoort, d.d. 5 oktober 2011, op te schorten. De schuldeiser op wie de gevraagde voorziening betrekking heeft, is de vennootschap naar buitenlands recht Hoist Portfolio ltd, gevestigd te Jersey (gemachtigde: NDA Incasso en Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders), hierna te noemen: Hoist. NDA Incasso en Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek op 7 april 2016.
Tijdens de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen met mevrouw [A] , schuldhulpverlener (Stadsring 51). Namens Hoist is niemand verschenen. Namens Hoist is bij emailbericht van 7 april 2016 schriftelijk verweer ingediend.

2.Beoordeling

Verzoeker heeft het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. In 2013 heeft hij een minnelijke regeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarmee alle schuldeisers, waaronder Hoist, hebben ingestemd.
De minnelijke regeling zou 36 maanden duren, met ingang van 23 april 2013. De minnelijke regeling was gebaseerd op een prognosevoorstel, uitgaande van de situatie van verzoeker in 2013. De schuldeisers waren vooraf ingelicht over het feit dat de afloscapaciteit van verzoeker zou dalen. Verzoeker woonde namelijk destijds bij zijn ouders in, maar zou gaan samenwonen met zijn partner, waardoor zijn vaste lasten zouden toenemen. Gedurende bovengenoemde periode tot heden zijn alle schuldeisers betaald conform het prognosevoorstel. Inmiddels zijn alle betalingen verricht en is de regeling tot een einde gekomen. Kort voor het eindigen van de regeling heeft Hoist haar instemming met het voorstel ingetrokken, naar haar mening op rechtmatige wijze. Uit het door haar ingediende schriftelijke verweer komt naar voren dat zij minder uitbetaald heeft gekregen dan geprognosticeerd was en dat vragen over het minnelijk traject naar haar mening onvoldoende beantwoord zijn, waardoor zij heeft besloten haar instemming in te trekken. Hierdoor zou haar vordering weer opeisbaar zijn, en heeft zij loonbeslag laten leggen op het inkomen van verzoeker.
Verzoeker heeft hierop een verzoek voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw. ingediend, samen met een verzoek dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw., beiden gericht tegen Hoist.
Ter zitting is duidelijk geworden dat het niet de bedoeling van verzoeker is om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te verzoeken, hij wil enkel nakoming van de minnelijke regeling met Hoist vorderen, waardoor het loonbeslag kan worden opgeheven.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw. hiervoor niet de geëigende weg is nu het niet de bedoeling is van verzoeker om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling Verzoeker heeft een overeenkomst met Hoist gesloten die niet door Hoist wordt nagekomen (omdat Hoist van mening is dat verzoeker de overeenkomst niet is nagekomen). Het betreft hier een overeenkomst waarop het gewone verbintenissenrecht van toepassing is. Wanneer een overeenkomst niet wordt nagekomen, kan verzoeker zich hiervoor wenden tot de civiele rechter, al dan niet via een kort geding, om nakoming van de overeenkomst te verzoeken. Een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw. is hiervoor niet bedoeld. Verzoeker zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. Dit geldt eveneens voor het door verzoeker ingediende verzoek dwangakkoord. Nu ter zitting is komen vast te staan dat er nog slechts één schuldeiser is, namelijk Hoist, kan verzoeker ook in een dergelijk verzoek niet worden ontvangen.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

4.Beslissing

De rechtbank:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in beide verzoeken.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2016.