Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2016 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
onderdeel b). Verweerder verwijst hiervoor naar de in de woning aangetroffen hoeveelheid softdrugs, die moet worden aangemerkt als handelsvoorraad van [eiser 1] . Deze hoeveelheid overschrijdt de toegestane handelsvoorraad van 500 gr in ernstige mate. [eiser 2] heeft zich hiermee welbewust niet aan de AHOJ-G-criteria gehouden. Voor het aannemen van slecht levensgedrag is volgens verweerder ook van belang dat er een koffer en toebehoren van een vuurwapen aanwezig waren in de bovenwoning. [eiser 2] moest als vergunninghouder erop toezien dat dergelijke overtredingen niet zouden plaatsvinden en hij was bovendien gewaarschuwd. In 2013 was ook een te grote hoeveelheid drugs in de coffeeshop aangetroffen. Daarnaast hebben zich volgens verweerder in of vanuit [eiser 1] feiten voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de exploitatievergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid (
onderdeel e). Verder is de openbare orde, veiligheid of het woon- en leefklimaat in de omgeving van [eiser 1] op ontoelaatbare wijze verstoord door de aanwezigheid van dit bedrijf (
onderdeel f). Er is volgens verweerder bewust een groot risico genomen door een grote hoeveelheid softdrugs in de woning te bewaren. De kans op een gewapende overval in de coffeeshop en de bovenwoning is hiermee aanzienlijk vergroot, met alle gevolgen van dien voor de klanten en de directe omwonenden van de coffeeshop. [eiser 2] heeft deze situatie bewust laten ontstaan. Ook werd met dergelijke gevaarlijke gevolgen, gelet op de aangetroffen vuurwapenattributen, kennelijk rekening gehouden. Gelet op de bij de politie binnen gekomen meldingen was het bovendien bij meerdere mensen bekend dat er in de bovenwoning een voorraad werd gehouden. Verweerder baseert de weigering van de exploitatievergunning voor één jaar op artikel 9, vierde lid, van de Horecaverordening, omdat de exploitatievergunning is ingetrokken op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Horecaverordening. Hoewel de duur van de weigering maximaal vijf jaar mag bedragen, is gekozen voor de weigering van een jaar vanwege de ernst van de situatie. Het algemeen belang van de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van verdere verstoring wegen volgens verweerder meer dan de financiële gevolgen voor eiser en zijn werknemers.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. I. Ahmadali, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2016.