Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 februari 2016 in de zaak tussen
Stichting ROC Midden-Nederland, te Nieuwegein,
(gemachtigde: A.A. de Lange),
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank acht voor de behandeling van het beroep het volgende van belang.
Ingevolge artikel 151f, eerste lid, van de Wvw wordt een examen gericht op het behalen van de basiskwalificatie afgelegd bij het CBR, dat onder zijn verantwoordelijkheid voor onderdelen van dat examen anderen kan inschakelen.
Over de ontvankelijkheid bezwaar gericht tegen brief van 20 december 2013
Over de ontvankelijkheid bezwaar gericht tegen de primaire besluiten van 29 januari 2014
De rechtbank stelt vast dat het rechtsgevolg, te weten de beëindiging van de certificering per 1 januari 2015, het directe gevolg is van de primaire besluiten van 29 januari 2014. Dit zijn dus naar het oordeel van de rechtbank wel besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen eiseressen bezwaar konden maken. Dit is verder tussen partijen ook niet in geschil. Wel is de vraag of eiseressen hiertegen tijdig bezwaar hebben gemaakt. De rechtbank zal zich hierover ambtshalve moeten buigen.
Uit de bewoordingen van de brief van 3 juli 2014 blijkt vervolgens volgens verweerder wel dat eiseressen hiermee opkomen tegen de primaire besluiten. Weliswaar is het bezwaarschrift buiten de bezwaartermijn ingediend, maar verweerder acht de termijnoverschrijding verschoonbaar.
Uit het hiervoor onder 15geciteerde onderwerp van deze brief blijkt dat de MBO Raad, namens onder meer eiseressen, hiermee opkomt tegen de wijziging van het locatiebeleid van verweerder. Het had degene tot wie de brief gericht is, te weten de twee ministers, duidelijk moeten zijn dat de brief dus niet was bedoeld voor één van beide ministers maar voor verweerder die een zelfstandig bestuursorgaan is en dus ook verantwoordelijk is voor de afhandeling van bezwaarschriften gericht tegen door hemzelf genomen beslissingen. De secretaris-generaal van I&M, die de afhandeling van de brief op zich heeft genomen, was hiertoe niet bevoegd. De minister van I&M of de minister van OC&W had het bezwaarschrift op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb aan verweerder moeten doorzenden. Dat in de brief niet de primaire besluiten als zodanig worden genoemd – en de gemachtigde van eiseressen klaarblijkelijk toen nog geen concrete kennis heeft gehad van deze besluiten – neemt niet weg dat uit de brief van 7 maart 2014 duidelijk blijkt dat deze brief is bedoeld als bezwaar tegen het gewijzigde locatiebeleid van verweerder. De beslissing om het locatiebeleid te wijzigen is genomen bij de primaire besluiten en daarom moet de brief van 7 maart 2014 worden gezien als gericht tegen deze besluiten. Dit bezwaar is vervolgens ook tijdig ingediend, nu het tijdstip van indiening bij het onbevoegde bestuursorgaan daarvoor bepalend is op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb. Verweerder had de brief van 7 maart 2014, die pas later in zijn bezit is gekomen, moeten zien als bezwaar gericht tegen de primaire besluiten. De motivering van verweerder in het bestreden besluit dat het later ingediende bezwaarschrift van 3 juli 2014, als het verschoonbaar te late bezwaar moet worden gezien, is daarmee onjuist.
Dat wat eiseressen betogen over artikel 41, eerste lid, van de Kaderwet ZBO is in die zin niet relevant. In dat artikel is de bevoegdheid om de verantwoordelijkheid voor het afnemen van examens over te dragen en om aan die bevoegdheid een einde te maken immers niet geregeld. De beroepsgrond slaagt niet.