ECLI:NL:RBMNE:2015:941

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2015
Publicatiedatum
17 februari 2015
Zaaknummer
C-16-346053 - HA ZA 13-440
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. van Binsbergen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming handschriftdeskundige voor onderzoek echtheid handtekening overledene

In deze civiele zaak tussen eiser, ASR Levensverzekering N.V. en een gevoegde partij, staat de echtheid van een handtekening van de overledene [B] op een brief van 26 juli 2009 centraal. De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is vanwege de meningsverschillen tussen partijen over de authenticiteit van de handtekening.

Alle partijen stelden een handschriftdeskundige voor, allen ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen. Twee deskundigen waren verbonden aan het NFI, dat geen civiele handschriftonderzoeken verricht, waardoor de rechtbank de derde deskundige benoemde. De rechtbank bepaalde tevens welke schriftelijke stukken als referentiemateriaal voor het onderzoek dienen, waaronder diverse documenten met onbetwiste handtekeningen van [B].

De rechtbank stelde de onderzoeksvragen vast, waaronder de waarschijnlijkheid dat de betwiste handtekening door [B] is gezet en of deze door een linkshandig persoon is gezet. Tevens werden de procedurele voorwaarden voor het onderzoek en de kostenregeling vastgesteld, waarbij ASR het voorschot op de kosten moet betalen. De deskundige moet partijen gelegenheid geven tot opmerkingen en een conceptrapport voorleggen.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en bepaalt dat na ontvangst van het deskundigenbericht de zaak binnen vier weken weer op de rol komt voor conclusies. Het vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en uitgesproken op 4 maart 2015.

Uitkomst: Rechtbank beveelt deskundigenonderzoek naar echtheid handtekening en benoemt handschriftdeskundige onder procedurele voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/346053 / HA ZA 13-440
Vonnis in de hoofdzaak van 4 maart 2015
in de zaak van
[eiser], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[A],
wonende te [woonplaats],
eiser in de hoofdzaak,
advocaat mr. M.F. Admiraal te Enschede,
tegen
de naamloze vennootschap
ASR LEVENSVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
advocaat mr. S.P.A. Wensink-Vergunst te Utrecht,
en
[gevoegde partij],
wonende te [woonplaats],
gevoegde partij in de hoofdzaak,
advocaat mr. R.T. Profijt te Enschede.
Partijen zullen hierna [eiser], ASR en [gevoegde partij] genoemd worden.

1.De procedure

in de hoofdzaak

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 21 januari 2015, waarbij de rechtbank het incidenteel verzoek van ASR om tussentijds appel tegen het tussenvonnis van 3 december 2014 toe te staan, heeft afgewezen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in de hoofdzaak

2.1.
Bij voormeld tussenvonnis van 3 december 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat een onderzoek naar de echtheid van de handtekening van [B]op de brief van 26 juli 2009 door een handschriftdeskundige noodzakelijk is, nu partijen over de echtheid van die handtekening van mening verschillen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de persoon van de deskundige en de aan de aan de deskundige voor te leggen vragen.
2.2.
Alle partijen hebben een handschriftdeskundige voorgesteld die is ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Partijen verschillen echter van mening wie van de drie in het NRGD ingeschreven handschriftdeskundigen als deskundige moet worden benoemd. Twee van deze deskundigen zijn werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het NFI verricht momenteel echter geen handschriftonderzoeken in civiele procedures. De rechtbank zal daarom de derde handschriftdeskundige die in het NRGD is ingeschreven, tot deskundige in deze zaak benoemen. Deze heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden.
2.3.
Partijen verschillen verder van mening over de aan de deskundige te stellen vragen. Zij zijn het er onder meer niet over eens welke schriftelijke stukken als referentiemateriaal moeten dienen. De rechtbank zal bepalen dat de deskundige bij zijn onderzoek de volgende stukken als referentiemateriaal kan betrekken:
  • de huwelijksakte van 18 juni 2004 (productie 15 van de zijde van [eiser])
  • de overige stukken van productie 15 van de zijde van [eiser], daterend uit 2010
  • de stukken van productie 14 van de zijde van [eiser], daterend uit 2010
  • het door [B]op 25 mei 2009 ondertekende aanvraagformulier voor kinderbijslag (productie 20 van de zijde van [eiser])
  • het paspoort van [B]van 19 april 2011 (productie 13 van de zijde van [gevoegde partij])
  • het rijbewijs van [B]van 8 augustus 2008 (productie 14 van de zijde van [gevoegde partij])
  • de op 6 september 1996 door [B]ondertekende arbeidsovereenkomst (productie 15 van de zijde van [gevoegde partij])
  • de op 5 juli 2000 door [B]ondertekende verklaring omtrent Inkomen en vermogen (productie 16 van de zijde van [gevoegde partij])
Van deze stukken staat immers vast c.q. is niet of onvoldoende betwist dat de daarop geplaatste handtekening van [B]afkomstig is.
2.4.
De rechtbank zal bepalen dat [eiser] en [gevoegde partij] van dit referentiemateriaal de originele stukken (waaronder begrepen originele kopieën) waarover zij beschikken, aan de deskundige ter hand moeten stellen. Voorts dienen ASR en [gevoegde partij] het origineel dan wel de originele kopieën van de brief van [B]van 26 juli 2009 waarover zij beschikken (productie 3 en 7 van de zijde van ASR, productie 6 van de zijde van [gevoegde partij]), aan de deskundige ter hand te stellen.
2.5.
Alle verdere opmerkingen van partijen in ogenschouw genomen, zal de rechtbank de volgende vragen aan de deskundige voorleggen:
I. Met welke mate van waarschijnlijkheid is de betwiste handtekening op de brief van 26 juli 2009 volgens u gezet door een linkshandig persoon?
II. Met welke mate van waarschijnlijkheid is, na vergelijking van de handtekening van [B]op de hiervoor onder 2.3 vermelde stukken met de handtekening op de brief van 26 juli 2009, deze betwiste handtekening volgens u door [B]gezet?
III. Heeft u nog andere opmerkingen die voor de beoordeling van belang kunnen zijn?
2.6.
Zoals de rechtbank in het tussenvonnis van 3 december 2014 reeds heeft overwogen, zal het voorschot op de kosten van de deskundige ten laste van ASR worden gebracht.

3.De beslissing

in de hoofdzaak

De rechtbank
het deskundigenonderzoek
3.1.
beveelt een deskundigenonderzoek naar de hiervoor onder 2.5 geformuleerde vragen,
3.2.
benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:
de heer W.C. de Jong-Niehoff
Niehoff & De Jong
Riouwstraat 30
9715 BW Groningen
tel.: 050-3136574
www.handschriftonderzoek.com
info&handschriftonderzoek.com,
3.3.
bepaalt dat het onderzoek zal worden verricht onder leiding van mr. G.J. van Binsbergen, die ten deze tot rechter-commissaris wordt benoemd,
de kosten
3.4.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot terzake van de kosten van de deskundige het volgende:
- de deskundige dient binnen drie weken na de datum van dit vonnis een begroting van kosten op te geven aan de civiele griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het aantal uren, het uurtarief en de overige kosten;
- de civiele griffie zal bedoelde opgave toezenden aan partijen;
- partijen kunnen binnen twee weken daarna bij de rechter-commissaris schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting;
- indien niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot terzake van de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige te begroten bedrag;
- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing,
3.5.
bepaalt dat ASR het bedrag van het voorschot ter griffie moet deponeren binnen twee weken nadat ASR een daartoe strekkend betalingsverzoek van de civiele griffie heeft ontvangen,
de werkwijze van de deskundige
3.6.
draagt de deskundige op een schriftelijk en met redenen omkleed bericht met een duidelijke conclusie, en een gespecificeerde einddeclaratie in te leveren ter civiele griffie van deze rechtbank,
3.7.
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter civiele griffie moet worden ingeleverd op drie maanden na de datum van dit vonnis, met dien verstande dat de deskundige niet met het onderzoek hoeft te beginnen voordat deze van de civiele griffie van de rechtbank bericht heeft ontvangen dat het voorschot is gedeponeerd,
3.8.
schrijft de deskundige voor dat hij bij het onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit zijn rapport moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken,
3.9.
bepaalt dat de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden en hen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen over het concept te maken,
3.10.
bepaalt dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het rapport tevens melding dient te worden gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen, en verzoekt de deskundige om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen over het concept,
3.11.
verzoekt de deskundige om de landelijke Leidraad deskundigen op www.rechtspraak.nl te raadplegen,
de overige beslissingen
3.12.
draagt de griffier op een afschrift van dit vonnis toe te zenden aan de deskundige,
3.13.
bepaalt dat de verdere processtukken binnen één week na de datum van dit vonnis door ASR aan de deskundige dienen te worden toegezonden,
3.14.
bepaalt dat ASR en [gevoegde partij] het origineel dan wel de originele kopieën van de brief van [B]van 26 juli 2009 waarover zij beschikken (productie 3 en 7 van de zijde van ASR, productie 6 van de zijde van [gevoegde partij]), aan de deskundige ter hand dienen te stellen,
3.15.
bepaalt dat [eiser] en [gevoegde partij] de originele stukken (waaronder begrepen originele kopieën) van het referentiemateriaal waarover zij beschikken, aan de deskundige ter hand dienen te stellen,
3.16.
draagt de griffier op om na inlevering van het schriftelijk bericht door de deskundige de zaak op een termijn van 4 weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van ASR en om partijen daarvan bericht te doen,
3.17.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2015. [1]

Voetnoten

1.type: GB