ECLI:NL:RBMNE:2015:8014
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in zaak kinderpornografie met niet-ontvankelijkheid OM voor eerdere foto
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 12 november 2015 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het aanbieden, vervaardigen en bezit van 28 kinderpornografische afbeeldingen in de periode van september 2013 tot juni 2014.
De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard voor een foto die verdachte eerder in 2007 aan de Hema had aangeboden en waarvoor toen een sepotbeslissing was genomen. De rechtbank oordeelde dat het ne bis in idem-beginsel niet rechtstreeks van toepassing is op een sepotbeslissing, maar dat het gerechtvaardigd vertrouwen van verdachte in het niet vervolgd worden voor deze foto wel geschonden werd doordat het OM geen nader onderzoek had verricht. Daarom verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk voor deze foto.
Voor de overige 27 afbeeldingen die door een derde aan de politie waren overhandigd, stelde de rechtbank vast dat deze kinderpornografisch waren. Echter, omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte deze foto’s daadwerkelijk had aangeboden of vervaardigd, en de politie geen nader onderzoek had gedaan naar de herkomst, sprak de rechtbank verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs.
De in beslag genomen CD met de kinderpornografische foto’s werd onttrokken aan het verkeer omdat een ander dan verdachte zich hiermee strafbaar had gemaakt. De rechtbank kon echter geen beslissing nemen over onttrekking van de eerder genoemde foto en het negatief die aan de Hema waren aangeboden, omdat het OM niet-ontvankelijk was verklaard en er geen aparte rechterlijke beschikking was gevraagd.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard voor een eerder beoordeelde foto.