Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2015 in de zaak tussen
Radio Corp B.V. (RadioCorp), te Naarden, eiseres
het Commissariaat voor de Media, verweerder
RadioNL B.V.(RadioNL),
voorheen NDC Radio B.V.(NDC), te Sneek, gemachtigde: mr. M.T.M. Koedooder.
Procesverloop
Overwegingen
Instellingen kunnen in de praktijk op zeer verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Het kan gaan om verbondenheid op grond van financiële banden, organisatorische/formele banden (benoemingsrechten, stemrechten), directe dan wel indirecte banden(dochter- en zusterondernemingen) samenwerken in een groep of informele samenwerkingsverbanden en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Het is daarom niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te geven. Uitgegaan wordt van een criterium waarbij de mate van invloed op het beleid van een instelling bepalend is. Van één instelling zal onder meer sprake kunnen zijn bij rechtspersonen en vennootschappen die in een groep zijn verbonden, bij een instelling die bestuurder is in een andere instelling en bij natuurlijke of rechtspersonen die op andere wijze direct dan wel indirect zeggenschap hebben over of invloed kunnen uitoefenen op één of meer instellingen, waarbij gedacht kan worden aan onder meer gevallen waarin door middel van het bezit en de uitoefening van stemrechten en benoemingsrechten, al dan niet via overeenkomsten met andere stemgerechtigden, zeggenschap kan worden uitgeoefend.”
- het bestuur dan wel het managementteam van NDC volmacht van de andere instellingen heeft gekregen om rechtshandelingen met betrekking tot de dagelijkse leiding te verrichten namens de andere instellingen
- bestuurders dan wel werknemers van de andere instellingen onderworpen zijn aan de centrale leiding van NDC, of dat NDC een aandelenbelang heeft in deze instellingen.
- NDC zeggenschapsrechten heeft ten aanzien van belangrijke vennootschapsrechtelijke besluiten van die instellingen;
- NDC zeggenschap heeft ten aanzien van strategische en commerciële beslissingen met betrekking tot die instellingen.
Tevens wordt het eerste lid, onderdeel c, van de Regeling AGF 2003 verduidelijkt, in die zin dat het maximum van 30% kabelbereik alleen ziet op analoge verspreiding en niet op digitale verspreiding van radioprogramma’s. Het voorschrift dateert uit een periode dat de verspreiding van programma’s via de kabel (en de ether) grotendeels analoog geschiedde. In de jaren daarna heeft de digitale verspreiding van audiovisuele inhoud een enorme opmars gemaakt. Van regeringswege is deze digitalisering gestimuleerd en is regelgeving, onder meer de Mediawet, daarop aangepast en geldt voor commerciële vergunninghouders de verplichting om te investeren in digitale etherradio. De grote kabelmaatschappijen, zoals Ziggo en UPC, hebben aan het Commissariaat voor de Media aangegeven dat regionalisering van het programma bij digitale doorgifte via omroepnetwerken enorme investeringen vergt en zij daarom niet kunnen meewerken om de programma’s alleen in die gebieden door te geven waarvoor ze bestemd zijn. Dit geldt evenzo voor digitale etherradio, waar de verzorgingsgebieden eveneens groter zijn dan het analoge bereik. Het is niet passend en in het licht van het digitaliseringsbeleid ook niet logisch om de 30% norm ook te laten gelden voor digitale verspreiding via de kabel. Om die reden wordt thans expliciet tot uitdrukking gebracht dat het eerste lid, onderdeel c, alleen ziet op analoog kabelbereik.”