Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het op voet van art. 96 Rv Pro. en artikel 671 b lid 1 juncto 669 lid 3 sub g BW op 21 augustus 2015 ingediend verzoekschrift
- en
- het op 19 augustus 2015 ingediend verweerschrift.
Rechtbank Midden-Nederland
De kantonrechter behandelt een gezamenlijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen Koninklijke ERU Kaasfabriek B.V. en werknemer [A], die sinds 23 februari 2010 in dienst is. Partijen vragen ontbinding per 1 november 2015 met een vergoeding van €4.475,- op grond van artikel 7:673 lid 2 BW Pro. De kantonrechter wijst het verzoek op basis van artikel 96 Rv Pro af, omdat partijen geen geschil hebben en zelf de beslissing hebben genomen.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ontbinding slechts op grond van een limitatieve reeks redelijke gronden kan plaatsvinden, zoals vastgelegd in artikel 7:669 lid 3 BW Pro. Partijen voeren een onverenigbaar verschil van inzicht aan, waardoor verdere samenwerking onmogelijk is, en de kantonrechter acht dit voldoende aannemelijk als redelijke grond. De ontbinding per 1 november 2015 voldoet aan de wettelijke opzegtermijn.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om een vergoeding toe te kennen, omdat partijen kennelijk de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 2 BW Pro zelf willen vastleggen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 november 2015.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 november 2015 zonder toekenning van vergoeding; proceskosten worden gecompenseerd.